Citaat | Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2003

Alinea 64 Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2003

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF4501.

Na ontvangst en lezing van de pleitnota van de inspecteur resteren er nog vier geschilpunten. Overigens is de berekening van de aanslagen niet meer in geschil. Ik ben met de inspecteur eens dat de aanslag die betrekking heeft op het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 kan worden vernietigd. Met de correctie die de inspecteur in mijn berekening aanbrengt inzake de omzet behaald met leveringen naar Italië ben ik het eens. Het eerste van de vier nog resterende geschilpunten betreft het tijdvak waarin de ten onrechte verleende teruggaven over de maanden juli 1995, november 1995 en december 1995 van respectievelijk ƒ 7.068, ƒ 4.482 en ƒ 5.202 kunnen worden nageheven. Mijns inziens kan naheffing slechts plaatsvinden over 1996 omdat 1996 het jaar is waarin de teruggaven zijn verleend. Dit geschilpunt heeft gevolgen voor zowel de aanslag over 1995 als die over 1996. De bedragen zijn niet in geschil, noch dat de teruggaven ten onrechte zijn verleend. Het tweede geschilpunt betreft de vraag of bij de berekening van de verschuldigde omzetbelasting in 1995 rekening moet worden gehouden met het in artikel 5a, vierde lid van de Wet bedoelde drempelbedrag inzake de afstandsverkopen. Naar mijn mening hoeft dat niet omdat belanghebbende de onderneming heeft overgenomen van Q B.V. ter zake van welke overname artikel 31 van de Wet van toepassing is. Dit geschilpunt betreft uitsluitend de naheffingsaanslag over 1995. De berekening van de gevolgen van dit standpunt is niet in geschil. Het derde geschilpunt betreft de boete die is begrepen in de naheffingsaanslag over 1995. Deze dient te vervallen. Het vierde geschilpunt betreft de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet alsmede het recht op aftrek van voorbelasting. Tot 1 december 1997 waren de leveringen van tandtechnische werken door handelaren zowel in Nederland als in andere lid-staten van de EU niet vrijgesteld maar belast met omzetbelasting. De wijziging van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet is niet in overeenstemming met artikel 13, A, eerste lid, onderdeel e, van de Zesde richtlijn. In de richtlijn staat nog steeds dat het moet gaan om leveringen door tandtechnici en tandartsen. De uitbreiding van het bereik van de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet heeft nadelige invloed op belanghebbendes concurrentiepositie. Ik ben daarom van mening dat de prestaties van belanghebbende niet kunnen worden aangemerkt als vrijgestelde prestaties voor de toepassing van artikel 15 van de Wet. Mijn primaire standpunt inzake dit geschilpunt is dat belanghebbende gelet op de Nederlandse vrijstellingsbepaling geen omzetbelasting is verschuldigd ter zake van haar leveringen maar wel recht heeft op aftrek van voorbelasting. Deze stelling leidt ertoe dat de naheffingsaanslag over 1 januari 1996 tot en met 31 december 1998 dient te worden vernietigd. Mijn subsidiaire standpunt inzake dit geschilpunt is dat belanghebbende ter zake van de leveringen in Nederland geen omzetbelasting is verschuldigd en geen recht heeft op aftrek van voorbelasting maar wel recht heeft op aftrek van voorbelasting ter zake van leveringen naar andere EU-landen. Ook deze stelling betekent dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Mijn meer subsidiaire standpunt is dat gelet op artikel 13, A, eerste lid, onderdeel e, van de Zesde richtlijn ter zake van de leveringen door belanghebbende de vrijstelling niet van toepassing is. Ter zake van de leveringen is gelet op de resolutie van 14 december 1979, nr. 278-19 003, herdrukt 10 januari 1984, nr. 283-18 256 (onder meer gepubliceerd in VN 1984/260) het verlaagde tarief van toepassing. Met betrekking tot de gevolgen van dit standpunt voor de naheffingsaanslag kan ik mij erin vinden dat de verschuldigde belasting alsdan dient te worden berekend aan de hand van het overzicht opgenomen in bijlage 11 bij de brief van de inspecteur van 22 februari 2002. In dat overzicht zitten een paar rekenfouten. Ingeval uw Hof van oordeel is dat het verlaagde tarief niet van toepassing is maar het algemene doe ik geen beroep op artikel 13, A, eerste lid, onderdeel e, van de Zesde richtlijn. Mijn meer subsidiaire standpunt is alsdan dat de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet vanaf 1 december 1997 van toepassing is en dat geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting. Alsdan dient de naheffingsaanslag te worden vastgesteld conform de berekening van de inspecteur bij de pleitnota.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7580712e3fd9fe6bb581c1877ae27fb2c3c2e82b3c977bcc3be0469eb5db628f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7580712e3fd9fe6bb581c1877ae27fb2c3c2e82b3c977bcc3be0469eb5db628f, en de alinea staat in dat document op bytes 20208 tot 24743.