Citaat | Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2003
Alinea 66 Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2003
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF4501.
Met betrekking tot de reikwijdte van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet meen ik dat in de periode 1 januari 1996 tot en met 30 november 1997 de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet van toepassing is ter zake van de leveringen van belanghebbende. Gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen kan een handelaar, zijnde een persoon bij wie een tandarts een tandtechnisch werk kan bestellen, als een tandtechnicus in de zin van de richtlijn worden aangemerkt. Relevant in dezen is de perceptie van de tandarts; de tandarts betrekt een tandtechnisch werk van een ondernemer die hetzij deze werken zelf maakt hetzij deze laat maken. Dat is voor de tandarts niet van belang. Het begrip tandtechnicus moet naar mijn mening ruim worden geïnterpreteerd. De aanslag met betrekking tot het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 heeft feitelijk uitsluitend betrekking op januari 1996. Deze aanslag kan worden vernietigd. Januari 1996 is opgenomen in de berekening van de aanslag over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1998. Met betrekking tot de overige vier resterende geschilpunten geldt het volgende. De verleende teruggaven hebben allemaal betrekking op 1995 en dienen derhalve over dat tijdvak te worden nageheven. Met betrekking tot de toepassing van het drempelbedrag van artikel 5a, vierde lid van de Wet in 1995 en het al dan niet van toepassing zijn van artikel 31 van de Wet meen ik dat nu slechts de inventaris van een derde is gekocht er geen sprake is van de overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van de richtlijn. De onderneming van belanghebbende is een persoonsgebonden onderneming en het is eenvoudig om via een andere vennootschap met dezelfde personen een soortgelijke onderneming op te starten. De drempel is van toepassing conform mijn berekening in de pleitnota. Met betrekking tot het derde geschilpunt, de boete begrepen in de naheffingsaanslag over 1995, geldt dat deze kan vervallen. Met betrekking tot het vierde geschilpunt - het recht op aftrek van voorbelasting - bestaat met betrekking tot 1995 geen geschil. Voor de periode vanaf 1 januari 1996 tot en met 30 november 1997 wél. Met inachtneming van het voorlopig oordeel van het Hof dat artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet in deze periode toepassing mist heb ik in mijn pleitnota aangegeven wat de cijfermatige gevolgen van dit oordeel zijn. Voor de periode vanaf 1 december 1997 geldt dat belanghebbende niet voor de berekening van de verschuldigde belasting kan kiezen voor toepassing van de vrijstelling op grond van de Nederlandse wet en voor het recht op aftrek voor toepassing van de richtlijnbepaling waardoor recht op aftrek zou bestaan. Belanghebbendes primaire en subsidiaire standpunt inzake het vierde geschilpunt bestrijd ik daarom. Met betrekking tot belanghebbendes meer subsidiaire standpunt geldt dat de desbetreffende goedkeuring met de wijziging van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet geen belang meer heeft en niet meer bestaat. Ingeval het verlaagde tarief van toepassing zou zijn kan voor de cijfermatige gevolgen worden uitgegaan van bijlage 11 bij mijn brief van 22 februari 2002. In die opstelling zitten een paar rekenfouten. Het klopt dat er dan een te betalen bedrag van ƒ 3.358 resteert.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7580712e3fd9fe6bb581c1877ae27fb2c3c2e82b3c977bcc3be0469eb5db628f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7580712e3fd9fe6bb581c1877ae27fb2c3c2e82b3c977bcc3be0469eb5db628f, en de alinea staat in dat document op bytes 24836 tot 28149.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7580712e3fd9fe6bb581c1877ae27fb2c3c2e82b3c977bcc3be0469eb5db628f | shasum -a 256