Citaat | Gerechtshof Amsterdam 29 augustus 2003

Alinea 116 Gerechtshof Amsterdam 29 augustus 2003

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 29 augustus 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AL3288.

6.2.4. Gelet op het onder 6.2.3 genoemde arrest van de Hoge Raad overweegt het Hof dat in het midden kan blijven of de door verweerder genoemde "getrapte" vaststelling van de kostenramingen rechtstreeks voldoet aan de eisen van artikel 2 van het Besluit, nu het, zelfs al zou er geen kostenbedrag zijn vastgesteld op basis van ramingen voor dat jaar, voldoende is dat het in enig jaar geldende kostenbedrag het bedrag dat zou zijn berekend op basis van ramingen voor het desbetreffende jaar niet mag overtreffen. Op verweerder rust de bewijslast dat aan die eis is voldaan. Verweerder heeft hiertoe de onder 3.5 vermelde begroting 1998-2001 en de onder 3.6 vermelde aangepaste begroting en de aangepaste begroting fiscalisering 1998 overgelegd. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de onder 3.6 vermelde aangepaste begroting in het jaar 1997 of in de loop van het jaar 1998 tot stand is gekomen, en dat dit nog steeds een begroting is en geen definitieve afrekening. Het Hof acht een en ander aannemelijk. Het Hof zal in het hierna volgende uitgaan van de voor of in 1998 aangepaste begroting zoals onder 3.6 weergegeven. Belanghebbendes stelling dat uit het raadsvoorstel 1991/336, de toelichting en bijlagen daarbij niet blijkt dat de kostencomponenten uitsluitend betrekking hebben op de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, en dat de cijfers uit het jaar 1992 achterhaald zijn, kan dan ook niet slagen, nu het Hof uitgaat van de voor of in 1998 aangepaste begroting zoals onder 3.6 weergegeven. Belanghebbende heeft gesteld dat uit het onder 6.2.3 genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat op verweerder de bewijslast rust; dat dit inhoudt dat op verweerder een verzwaarde bewijslast rust en dat verweerder niet kan volstaan met aannemelijk maken. Het Hof kan evenwel uit genoemd arrest van de Hoge Raad, noch uit enige rechtsregel afleiden dat op verweerder in dit geval een verzwaarde bewijslast rust. Het Hof gaat er in het navolgende dan ook van uit dat op verweerder een "normale" bewijslast rust, dat wil zeggen dat verweerder aannemelijk dient te maken dat het 1998 geldende kostenbedrag (ƒ 65) het bedrag dat zou zijn berekend op basis van ramingen voor het desbetreffende jaar niet overtreft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9da7e72c4d2bf71c5e9439b68e57761f800a5a2737360d7e595693fd21eac2b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9da7e72c4d2bf71c5e9439b68e57761f800a5a2737360d7e595693fd21eac2b5, en de alinea staat in dat document op bytes 22504 tot 24794.