Citaat | Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2005

Alinea 58 Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2005

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AS7294.

5.8.4. Vervolgens is de vraag of voor deze ongelijke fiscale behandeling tussen belanghebbende en werknemers die hun beroepskosten belastingvrij vergoed krijgen een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Het Hof verwijst naar de argumenten opgenomen in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 2 juni 2003, nr. 02/7448 en de conclusie van advocaat-generaal Van Ballegooijen van 12 juli 2004, nr. 39 870, op welke uitspraak en conclusie belanghebbende zich ook beroept. Het Hof maakt de daar genoemde argumenten tot de zijne en oordeelt op grond daarvan dat de wetgever, ook met inachtneming van de in 5.8.2. vermelde ruime beoordelingsvrijheid, bij de totstandkoming van de Wet in redelijkheid niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat te dezen sprake is van ongelijke gevallen of dat voor de ongelijke behandeling van werknemers die zelf hun beroepskosten moeten dragen en werknemers die deze kosten vergoed krijgen een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Naar het oordeel van het Hof leidt het ontbreken in de Wet van de mogelijkheid tot aftrek van beroepskosten, waar deze kosten door de werkgever belastingvrij vergoed kunnen worden tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc5b2bd876f055e2463b65f20372aa36d1cdf8924ca83bfebc0353375962983a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc5b2bd876f055e2463b65f20372aa36d1cdf8924ca83bfebc0353375962983a, en de alinea staat in dat document op bytes 18190 tot 19434.