Citaat | Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2007
Alinea 64 Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2007
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ9721.
Aan die formulering ontleent Dexia het argument, dat het toestemmingsvereiste uitsluitend geldt indien zaken -dus geen aandelen- op afbetaling zijn gekocht. Die uitleg is niet juist. Noch uit de wetsgeschiedenis noch uit het systeem van de wet volgt dat de wetgever heeft beoogd het toestemmings-vereiste te beperken tot overeenkomsten met betrekking tot lichamelijke zaken. Dat bij de beperking die wordt gegeven voor in de uitoefening van beroep of bedrijf gesloten overeenkomsten wordt gesproken van zaken kan daaraan niet afdoen. Die wijze van formuleren is immers in overeenstemming met de terminologie van art. 7A:1576 lid 1 BW, maar zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, verruimt lid 5 van dat artikel het toepassingsgebied daarvan. De als koop op afbetaling gekwalificeerde overeenkomsten met betrekking tot vermogensrechten dienen te worden getoetst aan art. 1:88 BW. Dat dit artikel niet in boek 7 maar in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, brengt niet mee dat de aldus gekwalificeerde overeenkomsten niet binnen het bereik van voormeld artikel vallen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0000e47bbe353e59f40b0cc84630b1c5658f5d1c3b4f4b895e69806a11216ac3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0000e47bbe353e59f40b0cc84630b1c5658f5d1c3b4f4b895e69806a11216ac3, en de alinea staat in dat document op bytes 25404 tot 26493.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0000e47bbe353e59f40b0cc84630b1c5658f5d1c3b4f4b895e69806a11216ac3 | shasum -a 256