Citaat | Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2007
Alinea 66 Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2007
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 1 maart 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC9108.
In het licht van de totstandkoming van de wetgeving ter implementatie van Richtlijn 2003/6/EG is het hof van oordeel dat bij de toepassing van artikel 5:56 Wft moet worden uitgegaan van het met artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2003/6/EG verenigbare bewijsvermoeden dat sprake is van causaliteit wanneer een verdachte over voorwetenschap beschikte toen hij de transactie verrichtte of bewerkstelligde. Een verdachte kan dit vermoeden ontzenuwen, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn voorwetenschap redelijkerwijs niet tot de transactie kan zijn bewogen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6f4fbdf7f2d3cc5ee04d155a4171642905b2daed5acc2aedb1eac4e56817c07a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6f4fbdf7f2d3cc5ee04d155a4171642905b2daed5acc2aedb1eac4e56817c07a, en de alinea staat in dat document op bytes 21378 tot 21975.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6f4fbdf7f2d3cc5ee04d155a4171642905b2daed5acc2aedb1eac4e56817c07a | shasum -a 256