Citaat | Gerechtshof Amsterdam 28 september 2010

Alinea 121 Gerechtshof Amsterdam 28 september 2010

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 28 september 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0843.

5.17 Naar de bedoeling van de wetgever is het voor de vraag of sprake is van een onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258 BW, niet beslissend of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren. Het komt er slechts op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd (T-M, Parl. Gesch., p. 968; MvA II, Parl. Gesch., p. 975). De onvoorziene omstandigheden dienen van dien aard te zijn dat [X] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de toezeggingen niet mag verwachten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/55e664216488046200d8575b97852ef58cc4c1707a05b62b561777a5a771b8c6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 55e664216488046200d8575b97852ef58cc4c1707a05b62b561777a5a771b8c6, en de alinea staat in dat document op bytes 54594 tot 55333.