Citaat | Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2011

Alinea 59 Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2011

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6980.

4.4.4. De omstandigheid dat in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3:92 (en artikel 3:91) Wet IB 2001, zoals hiervóór en ook door de rechtbank in 4.2 van haar uitspraak is overwogen, wordt opgemerkt dat “[d]e civielrechtelijke vorm waarin de vermogensbestand-delen ter beschikking worden gesteld (…) voor de beoordeling niet van wezenlijk belang (is)” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, p. 99 (NNV)), doet daaraan niet af. Die benadering sluit immers niet uit dat - in beginsel - de civielrechtelijke vorm wordt gevolgd; eerder beoogt deze, naar ’s Hofs oordeel, te bewerkstelligen dat hetgeen civielrechtelijk niet als een terbeschikkingstelling (bijvoorbeeld in de vorm van een schuldvordering) wordt gepresenteerd, voor de toepassing van de tbs-regeling wel als zodanig wordt behandeld indien daarmee de economische werkelijkheid (meer) recht wordt gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bb6d75193a310c717a090a447e82dae21ec5afb89ccfe0e5c87327469e26280. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bb6d75193a310c717a090a447e82dae21ec5afb89ccfe0e5c87327469e26280, en de alinea staat in dat document op bytes 23914 tot 24812.