Citaat | Gerechtshof Amsterdam 12 juli 2011

Alinea 104 Gerechtshof Amsterdam 12 juli 2011

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 12 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6554.

3.3 Naar het oordeel van het hof stelt [ Appellant ] terecht dat het Hoogheemraadschap in eerste aanleg in het geheel niet heeft aangevoerd dat sprake was van een bestaande (privaatrechtelijke) gebruiksovereenkomst met [ Appellant ], die bij brief van 15 februari 2007 door het Hoogheemraadschap zou zijn opgezegd. Het Hoogheemraadschap heeft zich in de procedure in eerste aanleg steeds op het standpunt gesteld dat slechts sprake was van een publiekrechtelijke vergunning van [ Appellant ] voor het maken en hebben van de steiger, en dat het voormalige waterschap Groot-Haarlemmermeer stilzwijgend heeft gedoogd dat van zijn eigendom (de Ringvaart) gebruik werd gemaakt. Van een opzegging van een privaatrechtelijke duurovereenkomst is in het geheel niet gerept door het Hoogheemraadschap. Dit betekent dat de rechtbank met de hier aan de orde zijnde overweging een feitelijke grondslag aan de vordering heeft toegevoegd, waarmee zij buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Het hof merkt hierbij nog op dat de rechtbank haar visie op dit punt kennelijk ook niet eerst aan partijen heeft voorgelegd, zodat partijen hierover niet hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken. Daarmee is tevens sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b95a9f40b6f7e48647a12e32c12b6dff19df463e0c9d09db7627a6bdf6cceb60. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b95a9f40b6f7e48647a12e32c12b6dff19df463e0c9d09db7627a6bdf6cceb60, en de alinea staat in dat document op bytes 22485 tot 23760.