Citaat | Gerechtshof Amsterdam 29 november 2011

Alinea 25 Gerechtshof Amsterdam 29 november 2011

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 29 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV7208.

2.3 Het hof overweegt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag wat tussen partijen heeft te gelden komt het aan op de zin die zij over en weer aan hun gedragingen en uitlatingen redelijkerwijs hebben mogen toekennen. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de door [appellant] gegeven lezing is dat in samenhang met hetgeen hij overigens heeft gesteld, onvoldoende om te kunnen aannemen dat, indien dat zou komen vast te staan, partijen overeenstemming hebben bereikt over het door [appellant] bij [geïntimeerde] te verdienen salaris. Daarbij is van belang dat partijen zich bij de onderhandelingen klaarblijkelijk hebben geconcentreerd op de inhoud van de tot stand te brengen participatieovereenkomst en de inhoud en uitwerking van een arbeidsovereenkomst voor zich uit hebben geschoven. Anders dan hij stelt heeft [appellant] in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat [geïntimeerde] instemde met het door hem genoemde salaris. Het ontbreken van wilsovereenstemming op het voor het aannemen van het bestaan van een arbeidsovereenkomst essentiële onderdeel van de beloning leidt ertoe dat niet kan worden aangenomen dat zodanige arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Nu [appellant] onvoldoende heeft gesteld is er geen plaats voor bewijslevering aan zijn kant. Grief I faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/00a37f84f704fa28027a710c2bb84509f2ad68d483016edd8932acdd0974f240. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 00a37f84f704fa28027a710c2bb84509f2ad68d483016edd8932acdd0974f240, en de alinea staat in dat document op bytes 9230 tot 10579.