Citaat | Gerechtshof Amsterdam 4 september 2012
Onder 4.4. Gerechtshof Amsterdam 4 september 2012
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 4 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:2254.
Het hof overweegt als volgt. Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) – af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In casu gaat het om een arbeidsongeschikte werkneemster aan wie in verband met de beëindiging van het dienstverband een schadeloosstelling is toegekend in de vorm van een stamrecht, ingaande per 1 september 2010, derhalve na ontbinding van het huwelijk en na de peildatum. Onder die omstandigheden oordeelt het hof dat deze uitkeringen niet vallen in de gemeenschap van goederen, nu het stamrecht strekt tot vervanging van het inkomen dat de vrouw bij voortzetting van de dienstbetrekking had genoten, en het derhalve verknocht is aan de vrouw. De door [B.V.1] van [de maatschap] ontvangen goodwillvergoeding, die in de jaarrekening van [B.V.1] op de balans staat en zodoende bij de bepaling van de waarde van de aandelen van [B.V.1] aan de orde zal komen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat de man in het verleden heeft meegetekend voor een lening afgesloten op het moment dat de vrouw zich inkocht in [de maatschap] acht het hof bij de beoordeling van deze grief daarom niet van belang. De stelling van de man dat er geen noodzaak was voor ontslag van de vrouw in [B.V.1] volgt het hof evenmin. De vrouw is sinds 29 april 2008 onafgebroken arbeidsongeschikt. Bovendien is [B.V.1] gebonden aan een zeer stringent concurrentiebeding, zodat de beslissing tot ontslag van de vrouw, die enerzijds niet kon werken vanwege haar arbeidsongeschiktheid en anderzijds niet in [B.V.1] mocht werken vanwege het concurrentiebeding, alleszins is te billijken. De vrouw heeft aldus ervoor gezorgd dat zij door de stamrechtuitkering in eigen levensonderhoud en deels in dat van haar kinderen kan voorzien, zonder dat zij aanspraak hoeft te maken op een door de man te betalen uitkering in haar levensonderhoud of een uitkering op grond van de Wet Werk en bijstand. Dat de vrouw de goodwillvergoeding gebruikt om zich in te kopen in een andere maatschap zoals de man lijkt te stellen, hetgeen overigens niet is niet gebleken, kan, zoals uit het hiervoor met betrekking tot de goodwill overwogene volgt, niet tot een ander oordeel leiden. Tot slot heeft de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat de vrouw de stamrechtovereenkomst heeft geantedateerd, onvoldoende onderbouwd, zodat het hof aan dat verweer voorbij gaat. Het hof ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen ter bepaling van de waarde van de lijfrenteovereenkomst zoals door de man verzocht. Ook de derde grief van de man faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0f2e49bb0c04cfe04af586cefd172ff99890fe6e24ec1f9ec03af80a79cb9922. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0f2e49bb0c04cfe04af586cefd172ff99890fe6e24ec1f9ec03af80a79cb9922, en de alinea staat in dat document op bytes 28928 tot 31796.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0f2e49bb0c04cfe04af586cefd172ff99890fe6e24ec1f9ec03af80a79cb9922 | shasum -a 256