Citaat | Gerechtshof Amsterdam 18 december 2012
Onder 3.6. Gerechtshof Amsterdam 18 december 2012
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:4036.
Defam heeft tevens aangevoerd dat het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen om door middel van een schriftdeskundige aan te tonen dat haar handtekening een geheel andere is dan die welke voorkomt op de kredietovereenkomst. Ook daarin kan Defam niet worden gevolgd. De bewijslast met betrekking tot het onderhavige punt rust, zoals hiervoor is overwogen, op Defam. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende twijfel weten te wekken over de juistheid van het vermoeden dat de desbetreffende handtekening op de kredietovereenkomst door gezet is. Nu Defam geen (verder) bewijs heeft aangeboden, en het hof ambtshalve geen aanleiding ziet (nader) bewijs door Defam te laten leveren, is er geen aanleiding een schriftdeskundige in te schakelen en moet de conclusie zijn dat, Defam het bewijs van de stelling dat de litigieuze handtekening door [geïntimeerde] is gezet niet heeft geleverd. Er moet dus van worden uitgegaan dat [geïntimeerde] de kredietovereenkomst niet heeft (mee)ondertekend. Grief I faalt derhalve.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa76c8307c6329bde4ca7e162e8e32c9dd8508f899d4c4fc161a550c72f29c56. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa76c8307c6329bde4ca7e162e8e32c9dd8508f899d4c4fc161a550c72f29c56, en de alinea staat in dat document op bytes 14706 tot 15753.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aa76c8307c6329bde4ca7e162e8e32c9dd8508f899d4c4fc161a550c72f29c56 | shasum -a 256