Citaat | Gerechtshof Amsterdam 18 december 2012
Onder 3.14. Gerechtshof Amsterdam 18 december 2012
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:4036.
Het is juist dat indien een eiser in de loop van het geding zijn eis vermeerdert en de verweerder zich tegen de aldus bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering beroept op verjaring, het tijdstip waarnaar moet worden beoordeeld of dit verweer doel treft, ervan afhangt of de aldus ingestelde vordering al dan niet moet worden aangemerkt als een nieuwe rechtsvordering. Is het eerste geval, is het tijdstip van de eisvermeerdering beslissend voor de vraag of zij tijdig is ingesteld. In het tweede geval is het tijdstip van de rechtsingang beslissend. Van een nieuwe vordering is geen sprake indien de bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingeleid (vgl. HR 23 mei 1997, NJ 1997/531 en HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa76c8307c6329bde4ca7e162e8e32c9dd8508f899d4c4fc161a550c72f29c56. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa76c8307c6329bde4ca7e162e8e32c9dd8508f899d4c4fc161a550c72f29c56, en de alinea staat in dat document op bytes 21911 tot 22767.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aa76c8307c6329bde4ca7e162e8e32c9dd8508f899d4c4fc161a550c72f29c56 | shasum -a 256