Citaat | Gerechtshof Amsterdam 14 februari 2012

Alinea 72 Gerechtshof Amsterdam 14 februari 2012

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 14 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW1995.

3.8 Het zojuist overwogene neemt niet weg dat ook het hof bij de beoordeling van de onderhavige zaak belang toekent aan hetgeen in HR 3 april 1992, NJ 1992, 411 werd overwogen, namelijk in zoverre de Hoge Raad daarin de bewijspositie van (en ten opzichte van) de persoon met volledige zeggenschap over de nalatige vennootschap heeft benadrukt. Van degene die (in de relevante periode) het beleid en de gang van zaken bij de nalatige vennootschap heeft kunnen bepalen, moet worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de vennootschap werkelijk niet in staat was haar crediteur te betalen of verhaal te bieden, en ook dat deze betalingsonmacht haar oorzaak niet heeft gevonden in een bij de desbetreffende bestuurder aanwezige onwil die crediteur te (laten) voldoen. Voor zover de grieven aldus moeten worden begrepen dat [appellanten] zich op het standpunt stellen dat het aan de Consultants is om te stellen en zo nodig aannemelijk te maken dat de betalingsonmacht van Etirc werd veroorzaakt door betalings¬onwil bij [appellanten] (dat lijkt met name in de toelichting op de vierde grief te worden betoogd), wordt die stelling van de hand gewezen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/839e18ebc99c3ba6d9c2d254dee52c91de139e72168c65e66d9e1345e3b329bf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 839e18ebc99c3ba6d9c2d254dee52c91de139e72168c65e66d9e1345e3b329bf, en de alinea staat in dat document op bytes 26490 tot 27653.