Citaat | Gerechtshof Amsterdam 24 april 2012

Alinea 71 Gerechtshof Amsterdam 24 april 2012

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 24 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4100.

3.7 Het te vergen spoedeisend belang van Rhodia bij zijn vorderingen (1), (2) en (4) en dat van VAT c.s. bij hun vorderingen (5), (6) en (7) zijn voldoende aannemelijk geworden. Wat de vorderingen van VAT c.s. betreft, brengt de aard van die vorderingen in beginsel zodanig belang mee. Wat de vorderingen van Rhodia betreft, volgt dit hieruit dat Rhodia aan de hand van de monsters en de in conservatoir beslag genomen bescheiden kan beoordelen of het aanspannen van inbreukprocedures, in Nederland of daarbuiten, opportuun is. Anders dan VAT c.s. hebben betoogd, kan daaraan niet afdoen dat de gevolgen van toewijzing voor hen zeer ingrijpend en onomkeerbaar zijn (waarbij nog wordt opgemerkt dat de desbetreffende bewering van VAT c.s. te karig is toegelicht, zoals hierna nog aan de orde zal komen). In hoger beroep wijzen VAT c.s. erop dat inmiddels tussen de partijen in deze zaak een regeling tot stand is gekomen “inzake bewaring van het voorheen beslagen materiaal” (waaronder, naar het hof aanneemt, ook de monsters begrepen zijn) en voeren zij aan dat zij niet van plan zijn dit materiaal aan “een gerechtelijke beslissing tot inzage” te onttrekken. Die omstandigheden ontnemen echter niet de spoedeisendheid aan het belang van Rhodia.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc5533f5df5c5ed6c4fbff7314bbb708193417079c70823ba94878e03d4e7c62. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc5533f5df5c5ed6c4fbff7314bbb708193417079c70823ba94878e03d4e7c62, en de alinea staat in dat document op bytes 24380 tot 25646.