Citaat | Gerechtshof Amsterdam 24 april 2012
Alinea 75 Gerechtshof Amsterdam 24 april 2012
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 24 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4100.
3.10 Ook de incidentele grief III is ongegrond, voor zover zij betrekking heeft op de vorderingen (1), (2) en (4) tegen NEO en ZAMR. Doorslaggevend is, zoals de eerste rechter kennelijk ook heeft geoordeeld, dat de vorderingen van Rhodia tegen NEO en ZAMR, net als de vordering tegen VAT, zijn gericht op het verkrijgen van toegang tot monsters die zijn genomen van op het adres te Amsterdam waar VAT gevestigd is, aangetroffen producten, tot bescheiden waarin de deurwaarder gegevens omtrent die monsters heeft geregistreerd, alsmede tot kopieën van fysieke en digitale bescheiden (die op de bemonsterde producten betrekking hadden) die op hetzelfde adres zijn aangetroffen en in conservatoir bewijsbeslag zijn genomen en welke monsters en kopieën aan in Nederland gevestigde bewaarders in gerechtelijke bewaring zijn gegeven, terwijl VAT c.s. ten tijde van dit aantreffen de producten die bemonsterd zijn, in hun macht hadden (artikel 1019a, tweede lid, Rv) en de fysieke en digitale bescheiden die gekopieerd zijn, te hunner beschikking of onder hun berusting hadden (artikel 843a, eerste lid, Rv) en die producten en (een aantal van) die bescheiden aan NEO en ZAMR kunnen toebehoren. Daaruit volgt immers zonder meer dat tussen de vorderingen tegen enerzijds VAT en anderzijds NEO en ZAMR een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven, zoals voorzien in artikel 6, onder 1, EEX-Verordening, alsmede een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, zoals voorzien in artikel 7, eerste lid, Rv. Hetgeen VAT c.s. aanvoeren ten betoge dat het anders is, is ontoereikend. In het bijzonder is geen grond aannemelijk geworden om te veronderstellen dat Rhodia de vordering tegen VAT enkel heeft ingesteld om NEO en/of ZAMR te onttrekken aan de rechter van de staat waar deze laatsten hun woonplaats hebben, dan wel dat Rhodia anderszins zijn recht misbruikt. Wat het gevaar voor onverenigbare beslissingen betreft, is juist dat de beoordeling van de vraag of dat gevaar bestaat, dient te geschieden aan de hand van alle elementen van het dossier. Indien VAT c.s. willen beweren dat een zodanige beoordeling in deze zaak niet heeft plaatsgevonden, mag van hen worden verlangd dat zij op relevante elementen van het dossier wijzen waaraan onvoldoende gewicht is toegekend. Zij doen dat echter niet en het hof ziet niet dat enig element verwaarloosd is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc5533f5df5c5ed6c4fbff7314bbb708193417079c70823ba94878e03d4e7c62. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc5533f5df5c5ed6c4fbff7314bbb708193417079c70823ba94878e03d4e7c62, en de alinea staat in dat document op bytes 27033 tot 29625.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fc5533f5df5c5ed6c4fbff7314bbb708193417079c70823ba94878e03d4e7c62 | shasum -a 256