Citaat | Gerechtshof Amsterdam 12 juni 2012

Alinea 181 Gerechtshof Amsterdam 12 juni 2012

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 12 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8050.

3.23 Met betrekking tot de vraag of het Pensioenfonds door het nemen van het Harmonisatiebesluit misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, en daarmee de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden, overweegt het hof allereerst dat de Vereniging c.s. niet - althans niet anders dan vanuit de door het hof (onder 3.20) onjuist geachte aanname dat de onvoor¬waar¬delijke indexatie die was vervat in pensioen¬reg¬le¬menten voorafgaand aan het jaar 2000 behoorde tot de reeds opgebouwde pensioen¬aan¬spraken – hebben gesteld en evenmin is gebleken dat de daarmee bewerkstelligde wijziging tot verminde¬ring van over achterliggende dienst¬jaren door reeds betaalde premies opge¬bouw¬de pensioenaan¬spraken heeft geleid. Voorts overweegt het hof dat uit de feiten die in eerste aanleg zijn komen vast te staan - met name de feiten genoemd onder 3.1 sub (xxiv) tot en met (xxxvii) – en in hoger beroep niet althans onvoldoende door de Vereniging c.s. zijn weersproken, kan worden afgeleid dat het Pensioenfonds geen misbruik heeft gemaakt van haar in artikel 22 van de statuten vervatte bevoegdheid tot wijziging. In de eerste plaats strekte de wijziging ertoe om door middel van een vermindering van (andere) aanspraken een verstoord evenwicht te herstellen tussen enerzijds bezittingen en inkomsten en anderzijds pensioenverplichtingen van het Pensioen¬fonds. Vaststaat dat uit een studie in opdracht van de cao-partijen bleek dat het Pensioenfonds over onvoldoende middelen beschik¬te om met een hoge mate van zekerheid de prijsindexatie of een gedeelte daarvan te continueren. Vast¬staat bovendien dat de toezicht¬houder - die vanaf 1981 tot 2005 steeds heeft geaccepteerd dat het Pensioenfonds geen tech¬nische voorziening aanhield voor zijn toekomstige indexatiever¬plich¬ting – toen voor het eerst had gesteld dat voor de gepensioneerden onder het pensioenreglement 1991 een financiële voorziening door het Pensioenfonds getroffen zou moeten worden ter dekking van alle toekomstig te verlenen toeslagen (indexaties) indien niet beter tot uitdrukking zou worden gebracht dat het hier een voorwaardelijke toeslagrege¬ling betrof, waarmee volgens Delta Lloyd c.s. een bedrag gemoeid zou zijn geweest van ± € 160.000.000,-, welk bedrag het Pensioenfonds niet kon opbrengen omdat het Pensioenfonds slechts beschikte over een buffer van ongeveer € 90.000.000,-die bestemd was voor de groep gewezen deelnemers en gepen¬sioneer¬den vanaf 1 augustus 2000, terwijl bovendien in de financieringsovereenkomst geen bijstor¬tings¬verplichting van de werkgever was afgesproken, zodat in het geval van een (indexatie)reservetekort geen beroep op de werkgever kon worden gedaan. In de tweede plaats vond, in het kader van de wijziging, de vermindering van aanspraken voor alle daarbij betrokkenen zoveel mogelijk naar evenredigheid plaats. Dit kwam met name tot uitdrukking in de keuze van de sociale partners voor het "voorwaardelijk maken van alle indexaties" omdat dit bij afweging van de belangen van alle betrokkenen het meest evenwichtig was. Dat bij het maken van een dergelij¬ke keuze de vermindering van aanspraken voor alle daarbij betrokkenen zoveel mogelijk naar evenredigheid plaatsvond, hebben de Vereniging c.s., op zichzelf beschouwd, niet (gemotiveerd) weersproken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/94ae731a6b0bf7b09bb857f72e4a3bde88173f62b4410ce6a5f76b4c457e6cbd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 94ae731a6b0bf7b09bb857f72e4a3bde88173f62b4410ce6a5f76b4c457e6cbd, en de alinea staat in dat document op bytes 62318 tot 65634.