Citaat | Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2012
Alinea 144 Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2012
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8788.
4.4. Voor zover verweerder in dit verband bedoelt te betogen dat eiseres als (toekomstig) middellijk aandeelhouder ten behoeve van [R] B.V. heeft gehandeld en dat om die reden afwaardering van de verstrekte lening niet mogelijk is, acht de rechtbank het betoog van verweerder onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een zogenoemde schijnlening, deelnemerschapslening of bodemloze putlening als bedoeld in de arresten HR 27 januari 1988, nr. 23.919, BNB 1988/217 en HR 10 augustus 2001, nr. 36.662, BNB 2001/364. Voorts is niet aannemelijk geworden dat eiseres met het verstrekken van de lening uitsluitend uit aandeelhoudersmotieven heeft gehandeld. Als verweerder met verwijzing naar het arrest van HR 9 mei 2008, nr. 43.849, BNB 2008/191, zich op het standpunt heeft bedoeld te stellen dat eiseres met verstrekking van de geldlening een onzakelijk debiteurenrisico op zich heeft genomen en dat dit in zoverre afwaardering in de weg staat, is het onvoldoende inzichtelijk gemaakt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa79aedc8326791a0035a9e5dc13197efdad436e300d698c00ad81ac3d735acd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa79aedc8326791a0035a9e5dc13197efdad436e300d698c00ad81ac3d735acd, en de alinea staat in dat document op bytes 49253 tot 50275.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fa79aedc8326791a0035a9e5dc13197efdad436e300d698c00ad81ac3d735acd | shasum -a 256