Citaat | Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2012

Alinea 157 Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2012

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8788.

4.8.2. Op grond van het vorenstaande en van hetgeen daarover in de stukken is vermeld, is naar het oordeel van het Hof komen vast te staan dat de onderhavige lening rechtens dan wel in feite was achtergesteld bij de aan [R] verstrekte financiering(en) door [E], nu immers [E] alle, en belanghebbende geen, zekerheden zijn verstrekt voor het geval [R] geheel of ten dele niet tot aflossing van de lening in staat zou zijn. Belanghebbende heeft althans niet overtuigend aangetoond dat van een dergelijke (feitelijke) achterstelling geen sprake was. Dat - mogelijk - ook de aan [E] verstrekte zekerheden niet dier vordering zouden (kunnen) dekken, acht het Hof hierbij van minder relevantie. Voorts moet ervan worden uitgegaan - ook op dit punt heeft belanghebbende het tegendeel niet doen blijken - dat de overeengekomen rente kennelijk (nu geen aanwijzingen bestaan dat dit anders was) eerst feitelijk in rekening zou worden gebracht als de resultaten van [R] dat zouden toelaten. Dat is immers ook in september 2001, over de periode tot en met augustus 2001, gebeurd, terwijl in de door belanghebbende geclaimde afwaardering van de vordering geen bedrag aan rente is begrepen voor de periode na augustus 2001. In wezen was dus sprake van een winstafhankelijke vergoeding.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa79aedc8326791a0035a9e5dc13197efdad436e300d698c00ad81ac3d735acd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa79aedc8326791a0035a9e5dc13197efdad436e300d698c00ad81ac3d735acd, en de alinea staat in dat document op bytes 62757 tot 64042.