Citaat | Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2012

Alinea 44 Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2012

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0439.

3.9 De te beantwoorden vraag is vervolgens wanneer de bevoegdheid tot vernietiging geacht moet worden aan de huurder, BP Nederland en/of [geïntimeerde], ten dienste te zijn komen te staan. In het arbeidsrecht en in de regeling van de algemene voorwaarden is respectievelijk in de artikelen 7:614 BW en 6:235 lid 4 BW geregeld dat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 3:52 lid 1 sub d BW begint met de aanvang van de dag volgende op die waarop een beroep is gedaan op het (van dwingend recht afwijkende) beding. Een dergelijke regeling ontbreekt in het huur¬recht. Niettemin is het hof van oordeel dat het dwingend¬rech¬telijke karakter van het huurrecht voor middenstands¬bedrijfsruimten en de bescher¬mings¬gedachte die daaraan ten grondslag ligt ertoe nopen ook in het kader van dat huurrecht artikel 3:52 lid 1 sub d aldus uit te leggen dat de bevoegdheid tot vernietiging de huurder eerst ten dienste is komen te staan wanneer de verhuurder een beroep op het afwijkende beding heeft gedaan. Hiervan uitgaande acht het hof het vernietigingsberoep tijdig. [geïntimeerde] kan derhalve in haar op artikel 7:303 BW berustende verzoek worden ontvangen. Grief I in het principaal hoger beroep faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db69978d26d4c40eeec502ccd69a2836687fcefabdd5ab0d7b90c76e711be543. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db69978d26d4c40eeec502ccd69a2836687fcefabdd5ab0d7b90c76e711be543, en de alinea staat in dat document op bytes 19013 tot 20233.