Citaat | Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2013

Onder 3.13. Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2013

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3271.

Deze strekking brengt mee dat de rechter die voor de vraag staat of en zo ja, in hoeverre, hij van zijn bevoegdheid tot matiging van de wettelijke verhoging gebruik zal maken, rekening moet kunnen houden – als daarbij in ogenschouw te nemen omstandigheid – met een eventuele aanspraak van de werknemer op vergoeding van wettelijke rente over die verhoging. Toewijzing van een rentevordering zoals thans aan de orde in een afzonderlijk geding, nadat zij eerder niet samen met de vordering tot toekenning van de wettelijke verhoging was ingesteld, verdraagt zich daarmee niet: de rechter heeft dan immers bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre hij van zijn matigingsbevoegdheid gebruik zou maken, geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de werknemer naast de door hem gevorderde wettelijke verhoging, tevens aanspraak maakte op vergoeding van wettelijke rente daarover en dat het gezamenlijke beloop van de gevorderde wettelijke verhoging en die rente – in het voorliggende geval – aanzienlijk hoger was dan 50% van de toe te wijzen loonsom en vergoeding wegens niet-opgenomen vakantiedagen. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat deze dus ook in hoger beroep niet toewijsbaar is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2ed698dcd963fba348163e91c2c249273904a175eb985eb3f0d2ec3d046476c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2ed698dcd963fba348163e91c2c249273904a175eb985eb3f0d2ec3d046476c, en de alinea staat in dat document op bytes 17510 tot 18779.