Citaat | Gerechtshof Amsterdam 17 april 2014

Onder 5.17. Gerechtshof Amsterdam 17 april 2014

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 17 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1393.

Het Hof stelt dienaangaande voorop dat de bevoegdheid tot de heffing van de onderwerpelijke aanvullende invoerrechten is gebaseerd op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het daarop gestoelde CDW, alsmede Verordening (EEG) nr. 2777/75 en Verordening (EG) nr. 1484/95. Hierbij is op dit gebied een zelfstandig en rechtstreeks werkend communautair systeem ingesteld, zodat in zoverre een (nationale) wet als bedoeld in artikel 104 van de Grondwet niet noodzakelijk is. Aan de lidstaten wordt de vrijheid gelaten het in artikel 201, derde lid, laatste volzin, van het CDW geregelde (mede)schuldenaarschap, nader gestalte te geven, waarbij geen specifieke eisen worden gesteld aan de aard van de nationale bepalingen waarin dit geschiedt. Dit kan derhalve ook geschieden in de vorm van een amvb. Op grond van artikel 120 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11 van de Wet algemene bepalingen (Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk), kan het Hof niet ingaan op de vraag of de delegatie door de wetgever heeft plaatsgevonden overeenkomstig de bedoeling van de grondwetgever (vgl. Hoge Raad 4 april 2014, 12/00576, punt 3.2.3, ECLI:NL:HR:2014:779).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b78ee68865a255aaf05d6bb7158ee5dae2e8676c4358c975050a5ccaf5d3dfef. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b78ee68865a255aaf05d6bb7158ee5dae2e8676c4358c975050a5ccaf5d3dfef, en de alinea staat in dat document op bytes 80156 tot 81388.