Citaat | Gerechtshof Amsterdam 3 juni 2014

Onder 3.5. Gerechtshof Amsterdam 3 juni 2014

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 3 juni 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2007.

Het gaat in dit kort geding hoofdzakelijk om de vraag in hoeverre [geïntimeerde sub 1] dan wel [geïntimeerde sub 2] hun vorderingen nu reeds kunnen innen bij [appellante] , gelet op de clausule in het testament van de vader van [geïntimeerden] dat deze vorderingen bij leven van [appellante] niet opeisbaar zijn. De voorzieningenrechter heeft het voor de vordering van [geïntimeerde sub 1] gelegde beslag opgeheven op de grond dat deze vordering niet opeisbaar is en het voor de vorderingen van [geïntimeerde sub 2] gelegde beslag gehandhaafd op de grond dat de deze vorderingen (voorshands) wel opeisbaar zijn. De grieven in het principale en incidentele appel richten zich (mede) tegen de overwegingen aangaande de opeisbaarheid van de respectievelijke vorderingen. Het hof zal eerst de vraag bespreken in hoeverre bij een afweging van de wederzijdse belangen de eventuele niet-opeisbaarheid van de vorderingen tot opheffing van het beslag zou dienen te leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7ecabaff78df1dc2fbd897e56757fcf3374f70f42e45fe9865449fccf0ebe128. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7ecabaff78df1dc2fbd897e56757fcf3374f70f42e45fe9865449fccf0ebe128, en de alinea staat in dat document op bytes 12360 tot 13341.