Citaat | Gerechtshof Amsterdam 10 juni 2014

Onder 2.2 Gerechtshof Amsterdam 10 juni 2014

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 10 juni 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2437.

Het hof stelt vast dat door appellant geen verklaring van de griffier van de rechtbank Noord-Holland is overgelegd waaruit blijkt dat hij aan het in voornoemd artikel gestelde voorschrift heeft voldaan. Nu ook overigens niet is gebleken dat appellant binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel op 10 maart 2014 het bestreden vonnis in het in artikel 433 Rv bedoelde register heeft doen inschrijven, moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Dit betekent dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep, voor zover dat hoger beroep zich richt tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte. Appellant heeft bij akte aangevoerd dat inschrijving van het hoger beroep thans wel heeft plaatsgehad en dat dit binnen een termijn van acht dagen na het uitbrengen van de hersteldagvaarding van 17 april 2014 is gebeurd, te weten op 25 april 2014. Deze omstandigheid leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep is immers niet bij dit herstelexploot ingesteld, maar bij de oorspronkelijke appeldagvaarding van 10 maart 2014, zodat de termijn voor inschrijving op 25 april 2014 al ruimschoots was verstreken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77bfa85341f8ffd9581cd796f3fef53b0c491f8d56add3857494e32459a45f52. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77bfa85341f8ffd9581cd796f3fef53b0c491f8d56add3857494e32459a45f52, en de alinea staat in dat document op bytes 9297 tot 10569.