Citaat | Gerechtshof Amsterdam 16 september 2014

Onder 3.2. Gerechtshof Amsterdam 16 september 2014

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 16 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3880.

Ook in eerste aanleg heeft de curator zijn vordering reeds op deze grondslagen (en op een in hoger beroep niet meer aan de orde zijnde grondslag) gebaseerd. De rechtbank heeft de vordering van de curator niet toewijsbaar geacht op de grondslagen onverschuldigde betaling en nietige rechtshandeling, maar met betrekking tot de grondslag ongerechtvaardigde verrijking heeft zij een tussenbeslissing gegeven. Zij achtte de curator in beginsel ontvankelijk in een dergelijke vordering en zij verwierp de stelling van [appellant] dat de tussen hem en [X] gesloten overeenkomst een redelijke grond voor de (als gevolg van de in verhouding tot zijn inleg zeer hoge) uitbetalingen oplevert en dat om die reden van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is. Tussen partijen is, aldus de rechtbank, niet in geschil dat [X] de hem door [appellant] ter beschikking gestelde gelden zou beleggen in Japanse warrants en dat hij [appellant] de daarop te behalen rendementen zou uitbetalen. Dat brengt volgens de rechtbank mee dat de tussen partijen gesloten overeenkomst slechts een redelijke grond voor de als gevolg van de uitbetalingen opgetreden verrijking van [appellant] kan opleveren, indien en voor zover ook daadwerkelijk behaalde rendementen zijn uitbetaald. Indien echter juist is dat, zoals de curator stelt, niet is belegd en geen rendementen zijn behaald, moet worden aangenomen dat de uitbetalingen gedaan werden uit de inleg van andere geldverstrekkers en derhalve dienden ter instandhouding van de door [X] opgezette zwendel. De rechtbank heeft geconcludeerd dat indien en voor zover de aan [appellant] gedane uitbetalingen niet afkomstig zijn van door [X] op beleggingen in Japanse warrants behaalde van rendementen, [appellant] daardoor ten koste van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van [X] ongerechtvaardigd is verrijkt. Zij heeft vastgesteld dat kan worden aangenomen dat door [X] in ieder geval vanaf 2003 niet meer is belegd en heeft (na verwerping van nog een aantal verweren) de curator toegelaten tot het bewijs dat ook in de periode van 10 april 1999 tot 31 december 2002 door [X] met het hem door [appellant] ter beschikking gestelde geld niet in Japanse warrants is belegd en dat de in die periode gedane uitbetalingen niet afkomstig waren uit daarop behaalde rendementen. De rechtbank heeft hoger beroep tegen haar tussenvonnis opengesteld. [appellant] is tegen dit vonnis onder aanvoering van 11 grieven in hoger beroep gekomen, terwijl de curator zijnerzijds incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d2ad6807bac89e91e489b71ab6049c1e0b39047b688ef8b6ca1ec39a1c33882. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d2ad6807bac89e91e489b71ab6049c1e0b39047b688ef8b6ca1ec39a1c33882, en de alinea staat in dat document op bytes 18184 tot 20734.