Citaat | Gerechtshof Amsterdam 9 december 2014
Onder 3.10. Gerechtshof Amsterdam 9 december 2014
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 9 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5401.
Op grond van het bovenstaande moet ervan worden uitgegaan dat de aanduiding van [appellant] als verdachte van oplichting, de melding dat tegen hem tientallen aangiften zijn gedaan en de berichtgeving dat klanten door [appellant] zijn gedupeerd, ieder voor zich voldoende steun vonden in het ten tijde van de publicatie van de onder 3.2 en 3.3 genoemde artikelen beschikbare feitenmateriaal. Hierbij is mede van belang dat ‘De Telegraaf’, zoals TMG ook heeft aangevoerd, geen juridisch vakblad is maar, in de woorden van TMG, ‘een krant voor gewone mensen’ en dat het gebruik van de termen ‘verdachte’ en ‘gedupeerd’ in de genoemde artikelen niet afwijkt van de zin die daarin in het spraakgebruik gewoonlijk wordt toegekend in een geval waarin, zoals hier, het Openbaar Ministerie een onderzoek tegen een bepaalde persoon is begonnen en waarin tegen die persoon meervoudig aangifte van oplichting, en daarmee van benadeling als hierboven omschreven, is gedaan. Van belang is bovendien dat het recht op vrijheid van meningsuiting meebrengt dat het TMG in beginsel vrijstaat zich bij haar berichtgeving in ‘De Telegraaf’ te bedienen van bewoordingen die met het gewone spraakgebruik overeenstemmen en van toonzettingen die zij voor het publiek waarop zij zich richt, geëigend acht. In het licht van het voorgaande brengen de omstandigheden dat [appellant] volgens de definiëring van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (nog) geen verdachte is, zoals het Openbaar Ministerie hem bij de onder 3.4 aangehaalde brief heeft meegedeeld, dat hij niet door een rechter schuldig is bevonden aan oplichting als gedefinieerd in artikel 326 Wetboek van Strafrecht en dat de melding dat tegen hem tientallen aangiften zijn gedaan gelet op de hierboven genoemde aantallen enigszins geëxalteerd is, niet mee dat moet worden geoordeeld dat de door [appellant] bestreden uitlatingen onvoldoende steun hadden in het beschikbare feitenmateriaal. Dit wordt niet anders doordat het onder 3.9 aangehaalde telefoongesprek en de onder 3.9 genoemde verklaringen dateren van na de publicatie van de aangevallen artikelen, aangezien uit niets blijkt dat de feiten ten tijde van de publicatie van die artikelen anders lagen of dat TMG toen niet over de feiten beschikte waarop die artikelen steunen. Het aangehaalde gesprek en de genoemde verklaringen hebben eerder de strekking te bevestigen dat TMG daarover toen al wel beschikte.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/751237f53db6212573a252ffc45d0ef5661cfaeaad909c873cf161d6ac7ed86b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 751237f53db6212573a252ffc45d0ef5661cfaeaad909c873cf161d6ac7ed86b, en de alinea staat in dat document op bytes 18106 tot 20546.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/751237f53db6212573a252ffc45d0ef5661cfaeaad909c873cf161d6ac7ed86b | shasum -a 256