Citaat | Gerechtshof Amsterdam 9 december 2014

Onder 3.11. Gerechtshof Amsterdam 9 december 2014

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 9 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5401.

Met de onder 3.2 en 3.3 genoemde artikelen en de daarin gebruikte, door [appellant] bestreden uitlatingen stelt TMG aan de orde dat tegen [appellant] meervoudig aangifte van oplichting is gedaan door klanten van de onder 3.1 genoemde onderneming die zich door hem gedupeerd achten en dat deze aangiften ertoe hebben geleid dat het Openbaar Ministerie een onderzoek tegen hem is begonnen. De aard van de verweten uitlatingen is, ook als rekening wordt gehouden met de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor [appellant], tegen de achtergrond van de onder 3.9 beschreven feiten te billijken, mede in aanmerking genomen dat het TMG zoals hierboven overwogen in beginsel vrijstaat zich in ‘De Telegraaf’ te bedienen van bewoordingen die met het gewone spraakgebruik overeenstemmen. Ook de ernst van de misstand die de genoemde artikelen aan de kaak beogen te stellen en het daarmee gemoeide algemeen maatschappelijke belang, rechtvaardigen dat TMG zich heeft uitgelaten op de wijze waarop zij heeft gedaan. Gelet op het voorgaande en gelet op de mate waarin de gepubliceerde uitlatingen steun vonden in de beschikbare feiten kan, anders dan [appellant] meent en (opnieuw) mede in aanmerking genomen dat het TMG in beginsel vrijstaat zich te bedienen van toonzettingen die zij voor het lezerspubliek van ‘De Telegraaf’ geëigend acht, ook waar die toonzettingen enigszins geëxalteerd zijn, niet worden geoordeeld dat TMG de aangelegenheid waarop de genoemde artikelen betrekking hebben nodeloos heeft ‘opgeklopt’, bijvoorbeeld door [appellant] in de kop van het onder 3.2 genoemde artikel te betitelen als ‘fraudeverdachte’ en door dat artikel op de voorpagina te publiceren. Dat TMG anderszins gehouden was de betrokken aangelegenheid op een andere wijze in te kleden dan zij heeft gedaan, valt niet in te zien. Er zijn voorts geen aanwijzingen dat de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het doel van de onder 3.2 en 3.3 genoemde artikelen langs andere, voor [appellant] minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt, dusdanig groot is dat TMG zich op deze grond van de verweten uitlatingen had moeten onthouden. Hetzelfde geldt als acht wordt geslagen op een mogelijke beperking van het door de verweten uitlatingen te veroorzaken nadeel voor [appellant], in verband met de kans dat hetgeen de genoemde artikelen aan de orde stellen ook zonder die uitlatingen in de publiciteit zou zijn gekomen. Ten slotte is van belang dat [appellant], gelet op zowel zijn maatschappelijke positie als verlener van rechtskundige diensten aan derden als de omstandigheid dat hij als schrijver van het onder 3.1 genoemde boek de publiciteit heeft opgezocht en zich daarin openlijk als verlener van zulke diensten heeft laten kennen, een zekere blootstelling aan publicaties in de pers heeft te dulden, in het bijzonder wanneer het gaat om in feiten wortelende uitlatingen zoals thans door hem bestreden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/751237f53db6212573a252ffc45d0ef5661cfaeaad909c873cf161d6ac7ed86b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 751237f53db6212573a252ffc45d0ef5661cfaeaad909c873cf161d6ac7ed86b, en de alinea staat in dat document op bytes 20627 tot 23608.