Citaat | Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2014

Onder 4.3.6. Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2014

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 6 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:854.

Nu is gebleken dat aan belanghebbende de onder 2.10 vermelde naheffingsaanslag accijnzen en omzetbelasting (hierna: OB) met dagtekening 23 oktober 2006 is opgelegd, naar een belastingbedrag van € 56.187, is het belanghebbende toegestaan voor de hierna te vermelden bedragen aan accijnzen/OB-schuld een voorziening te vormen ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden. Het is het Hof ambtshalve bekend dat deze naheffingsaanslag inmiddels onherroepelijk is komen vast te staan (vide Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9045). Bij de bepaling van de omvang van deze voorziening, die op grond van artikel 3:95 Wet IB 2001 aan de hand van dezelfde uitgangspunten geschiedt als in het regime voor winst uit onderneming, moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden die een licht werpen op die materieel verschuldigde accijnzen/OB, ook indien deze feiten en omstandigheden na het opmaken van de werkzaamhedenbalans over 2005 respectievelijk 2006 maar vóór het definitief vaststaan van de desbetreffende aanslagen IB/PVV bekend worden (vgl. HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC9189, BNB 2008/168, r.o. 3.2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c63fb4e6fbf1565269f91eb73361c34a76a5586bbcd6d83efce0ebc23de71b06. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c63fb4e6fbf1565269f91eb73361c34a76a5586bbcd6d83efce0ebc23de71b06, en de alinea staat in dat document op bytes 69502 tot 70658.