Citaat | Gerechtshof Amsterdam 11 juni 2015
Onder 3.8.4. Gerechtshof Amsterdam 11 juni 2015
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 11 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2335.
Daarom oordeelt de Hoge Raad dat in gevallen waarin feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld in 3.5.1 vaststaan, daaraan mede het vermoeden kan worden ontleend dat de belastingplichtige een banktegoed met een vergelijkbare omvang heeft aangehouden in de loop van het jaar 1993, en dat daarover in 1993 rente is vergoed. Met het oog op beboeting ter zake van de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1993 is derhalve het hiervoor in 3.5 overwogene van overeenkomstige toepassing. Daar legt de Hoge Raad ook de grens. Met het oog op beboeting ter zake van de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over jaren vóór 1993 en de heffing van vermogensbelasting over het jaar 1993 en eerdere jaren zou een overeenkomstig bewijsvermoeden te zeer op veronderstellingen zijn gebaseerd. Het zou daardoor neerkomen op een met artikel 6, lid 2, van het EVRM strijdige omkering van de bewijslast.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f686d08fc39eb3d2599c842a0074ddc0038bcd89595fa249abd95e967c5fa823. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f686d08fc39eb3d2599c842a0074ddc0038bcd89595fa249abd95e967c5fa823, en de alinea staat in dat document op bytes 41924 tot 42876.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f686d08fc39eb3d2599c842a0074ddc0038bcd89595fa249abd95e967c5fa823 | shasum -a 256