Citaat | Gerechtshof Amsterdam 8 september 2015

Onder 5.2. Gerechtshof Amsterdam 8 september 2015

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 8 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4361.

Het Hof stelt voorop dat de nationale rechter bevoegd is een onderzoek in te stellen naar de geldigheid van een handeling van een instelling van de Europese Unie en, indien hij meent dat de door partijen aangevoerde middelen van ongeldigheid ongegrond zijn, deze te verwerpen door vast te stellen dat de handeling ten volle geldig is (HvJ EU 22 oktober 1987, zaak 314/85, Foto Frost, punt 14, NJ 1987, 728). Een nationale rechterlijke instantie is evenwel niet bevoegd een handeling - zoals de Uitvoeringsverordening - van een instelling van de Unie ongeldig te verklaren. Deze bevoegdheid komt volgens vaste rechtspraak exclusief toe aan het Hof van Justitie (Foto Frost, punt 15 t/m 20). Wel kan een nationale rechter het Hof van Justitie van de Europese Unie, al dan niet op verzoek van een justitiabele, vragen stellen over de geldigheid van een handeling van de Unie (HvJ EU 21 maart 2000, zaak C-6/99, Association Greenpeace France e.a., punt 54 en HvJ EU 18 maart 2010, zaak C‑419/08 P, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, punt 24).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c91c18cc1135d6f1b34c9e7e8fd2149042e9078c4612368e20faa97514d584cc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c91c18cc1135d6f1b34c9e7e8fd2149042e9078c4612368e20faa97514d584cc, en de alinea staat in dat document op bytes 35684 tot 36750.