Citaat | Gerechtshof Amsterdam 8 april 2015

Alinea 113 Gerechtshof Amsterdam 8 april 2015

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 8 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4839.

De onder IV, VII en IX weergegeven passages zijn in telkens verschillende brieven verzonden aan verschillende personen en een instantie, te weten respectievelijk aan mrs. [naam 3] , mrs. [naam 4] en de [naam 5] . Het hof is van oordeel dat indien men een brief stuurt aan de bovengenoemde personen, gelet op de aard van hun respectieve functies, dan wel aan de bovengenoemde stichting, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwacht kan worden dat ook anderen dan de geadresseerden kennis zullen nemen van de inhoud van die brieven. Naar het oordeel van het hof kan derhalve worden vastgesteld dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op verspreiding van de inhoud van de door hem aan de bovengenoemde personen en instantie verzonden brieven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2bf772614f497d9eb182fcb3c376a6f2bd53f3376fa84a603f6b053366d18b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2bf772614f497d9eb182fcb3c376a6f2bd53f3376fa84a603f6b053366d18b8, en de alinea staat in dat document op bytes 33841 tot 34629.