Citaat | Gerechtshof Amsterdam 24 februari 2015

Onder 4.6. Gerechtshof Amsterdam 24 februari 2015

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 24 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:577.

In grief III stelt de vrouw dat de rechtbank de man ten onrechte heeft ontvangen in zijn verzoek als bedoeld in artikel 1:164 lid 1 BW. Enerzijds omdat de man dit verzoek te laat heeft gedaan, namelijk op 4 juli 2012, nadat de rechtbank de tussenbeschikking van 24 mei 2012 waarin de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken, had gewezen. Anderzijds omdat het verzoek geen nevenvoorziening is als bedoeld in artikel 827 Rv. Indien het verzoek wel is aan te merken als een nevenvoorziening is het te laat ingediend en heeft het tot een (onnodige) vertraging in de procedure geleid. Bovendien bepaalt artikel 1:164 lid 2 BW dat een op dit artikel gegronde rechtsvordering binnen drie jaar na de inschrijving van de beschikking dient te worden ingesteld. Omdat sprake is van een rechtsvordering had de man, zo begrijpt het hof, zijn verzoek als vordering in een dagvaardingsprocedure dienen in te stellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/63c8a2d1c695545fa7c8051daaea215eba860861d6eef3b9daa736061a2d1a7c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 63c8a2d1c695545fa7c8051daaea215eba860861d6eef3b9daa736061a2d1a7c, en de alinea staat in dat document op bytes 21680 tot 22602.