Citaat | Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2015

Onder 3.12 Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2015

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:85.

Het hof neemt daarbij verder in aanmerking dat in een civiele procedure als de onderhavige de rechter in grote mate afhankelijk is van de informatievoorziening door partijen. Daarbij gaat de rechter in beginsel uit van de waarheidsgetrouwheid van partijen. Zo pleegt de rechter in beginsel uit te gaan van de echtheid van de door partijen in het geding gebrachte bewijsstukken en controleert de rechter niet de authenticiteit van die stukken. Ook een partij mag in beginsel vertrouwen op de echtheid van de stukken die haar wederpartij in het geding brengt. De gerechtvaardigdheid van dit vertrouwen vloeit voort uit de op partijen rustende waarheidsplicht, maar ook op de goede trouw die partijen jegens elkaar en jegens de rechter in acht dienen te nemen en in het algemeen ook plegen te nemen. Overigens berust het bedoelde vertrouwen ook op praktische argumenten: het is voor de rechter (en ook voor de wederpartij) doorgaans praktisch ondoenlijk om de waarheid van elke uitlating of de echtheid van elk bewijsstuk te verifiëren. Wanneer een van partijen de waarheidsplicht schendt op een dermate ernstige wijze als thans aan de orde is, is daarmee de grondslag aan het bedoelde vertrouwen komen te ontvallen. Dit betreft zowel het vertrouwen van de rechter in de waarheidsgetrouwheid van die partij, als het vertrouwen daarin van de wederpartij. Het ontvallen van dit basale vertrouwen heeft een breder gevolg dan alleen het buiten beschouwing laten van de stukken waarvan de vervalsing is aangetoond. Het tast immers in algemene zin de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de betreffende partij aan. Het gevolg daarvan is dat het voor het hof in redelijkheid niet doenlijk is nog een gefundeerde beslissing te nemen over de thans in hoger beroep opgevoerde schadeposten. Ook voor die posten rijst immers de vraag of het gaat om schade die [appellant] daadwerkelijk heeft geleden door de tekortkoming van [geïntimeerden] Die vraag is niet reeds bevestigend te beantwoorden, zoals [appellant] schijnt te menen, als kan worden aangenomen dat (naar zijn zeggen) de thans in het geding gebrachte facturen en door hemzelf opgestelde overzichten en documenten geen vervalsingen betreffen. Ook moet komen vast te staan dat [appellant] de bedoelde facturen werkelijk heeft betaald c.q. kosten werkelijk heeft gemaakt, en dat het gaat om facturen die betrekking hebben op kosten die [appellant] daadwerkelijk heeft moeten maken als gevolg van de voortijdige ontruiming van de jachtwerf. Dat daarvan sprake is, kan op basis van hetgeen door hem ter onderbouwing aan bewijs is voorgebracht (en dat overigens door [geïntimeerden] tot in detail gemotiveerd is weersproken) niet worden aangenomen. Gelet op de geconstateerde substantiële, systematische en bewuste schending van de waarheidsplicht door [appellant] ziet het hof geen aanleiding om hierover nog nadere bewijsverrichtingen te laten plaatsvinden. Er kan immers niet meer worden vertrouwd op de waarheidsgetrouwheid van hetgeen [appellant] hierover naar voren heeft gebracht brengen, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling. Aan bewijslevering wordt dan niet toegekomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/804e4b9e425bb2247043e9be1ecbdee5f046e5d0c8f0ccd4676b07fd14bb7201. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 804e4b9e425bb2247043e9be1ecbdee5f046e5d0c8f0ccd4676b07fd14bb7201, en de alinea staat in dat document op bytes 26137 tot 29325.