Citaat | Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2016
Alinea 210 Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2016
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1268.
Naar het oordeel van het hof is evenwel onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van hetgeen [verdachte] is ten laste gelegd voor wat betreft de gedwongen prostitutie en uitbuiting van [slachtoffer 1] . Het hof wijst op de verklaringen van vele getuigen, inhoudende dat [slachtoffer 1] volledig vrij was te gaan en staan waar zij wilde, dat zij van het door haar verdiende geld veel luxe goederen aanschafte voor zichzelf en voor haar kinderen, dat ze een zeer mondige prostituee was en dat ze geenszins de indruk wekte te worden mishandeld, onder druk gezet of gecontroleerd door derden. Het gaat hier onder meer om getuigen van wie [slachtoffer 1] juist had gezegd dat zij de juistheid van haar verhaal konden bevestigen, hetgeen zij dus niet hebben gedaan. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] , voor zover deze betrekking hebben op de ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegde uitbuiting is aldus niet in toereikende mate vast te stellen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/086d603f9f2018fc03c6f17d6d92a1085d3f3228e4710829fead2f35443b42e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 086d603f9f2018fc03c6f17d6d92a1085d3f3228e4710829fead2f35443b42e4, en de alinea staat in dat document op bytes 47414 tot 48438.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/086d603f9f2018fc03c6f17d6d92a1085d3f3228e4710829fead2f35443b42e4 | shasum -a 256