Citaat | Gerechtshof Amsterdam 19 januari 2016
Onder 2.3.6. Gerechtshof Amsterdam 19 januari 2016
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 19 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:138.
De zesmaandsfictie van artikel 30a Wet LB 1964 heeft dan ook niet tot gevolg dat zonder nadere bewijsvoering door de inspecteur kan worden aangenomen dat de inhoudingsplichtige het beboetbare feit van artikel 67f AWR heeft begaan met betrekking tot alle aangiftetijdvakken die zijn gelegen in de door die bepaling bedoelde periode van zes maanden. Een andere opvatting zou ook niet verenigbaar zijn met het door artikel 6, lid 2, EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/05192, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207, onderdeel 4.11.3). De rechtspraak van het EHRM over die verdragsbepaling laat weliswaar de mogelijkheid open dat bij het bewijs van een beboetbaar feit binnen redelijke grenzen gebruik wordt gemaakt van (wettelijke) vermoedens, maar uit de enkele vaststelling dat een persoon bij de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking is en niet in de loonadministratie is opgenomen, vloeit geen vermoeden voort op grond waarvan bij gebreke van (overtuigend) tegenbewijs redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die situatie al ten minste zes maanden bestaat. Hetzelfde geldt indien wordt vastgesteld dat een persoon in dienstbetrekking is bij de inhoudingsplichtige en niet voldaan is aan de verplichting een eerstedagsmelding te doen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cfd8b9afba72e54b725b0d9f147825235dcaef2e2e0af08525dae220dd31bc79. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cfd8b9afba72e54b725b0d9f147825235dcaef2e2e0af08525dae220dd31bc79, en de alinea staat in dat document op bytes 16872 tot 18156.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cfd8b9afba72e54b725b0d9f147825235dcaef2e2e0af08525dae220dd31bc79 | shasum -a 256