Citaat | Gerechtshof Amsterdam 24 mei 2016

Onder 2.6. Gerechtshof Amsterdam 24 mei 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 24 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2016.

Bij de beoordeling van de vraag of voldoende grond bestaat tot schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv neemt het hof als uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waarvan beroep slechts plaats is indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal onder meer aan de orde kunnen zijn indien de executant, mede gelet op de – voor hem kenbare – belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan met name sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/44f5da54f97aaacc5d973b9068dd3a5eaaa994819658d4c14a50fa72532c77d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 44f5da54f97aaacc5d973b9068dd3a5eaaa994819658d4c14a50fa72532c77d5, en de alinea staat in dat document op bytes 13132 tot 14324.