Citaat | Gerechtshof Amsterdam 24 mei 2016

Onder 2.10. Gerechtshof Amsterdam 24 mei 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 24 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2016.

Ook hier geldt allereerst dat voor zover [appellante] heeft aangevoerd dat zij in eerste aanleg heeft verzuimd het verweer te voeren dat de ‘onlosmakelijk verbonden-clausule’ niet impliceert dat bij ontbinding ook de boete van de twee andere koopovereenkomsten is verschuldigd, zodat [X] Beheer geen recht heeft op betaling ter zake van een bedrag van € 392.500,= maar van € 99.500,=, haar betoog buiten bespreking wordt gelaten, reeds omdat deze enkele stelling niet kan leiden tot een afwijking van de regel dat de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in een geding als het onderhavige buiten beschouwing dient te blijven. Voor zover [appellante] voorts heeft aangevoerd dat aan de zijde van [X] Beheer een restitutierisico bestaat zijn haar stellingen – in het licht van het feit dat een vermeend restitutierisico moet worden geconcretiseerd – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [X] Beheer onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Daar staat tegenover dat in het algemeen mag worden aangenomen dat, zolang niet van het tegendeel blijkt, degene die uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een op zijn vordering uitgesproken veroordeling tot betaling van een geldsom verlangt en heeft verkregen, het vereiste belang bij zodanige verklaring heeft, en dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad maar (slechts) moeten worden meegewogen. [appellante] heeft bovendien niet concreet gesteld welke ingrijpende gevolgen intreden als zij wordt gedwongen tot betaling en met name niet welke ingrijpende gevolgen realisering van een eventueel restitutierisico voor haar zou hebben, anders dan dat zij haar eventuele vordering tot terugbetaling van het door haar aan [X] Beheer betaalde bedrag wellicht niet zou kunnen effectueren. Al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, vormen onvoldoende grond om aan de in het vonnis waarvan beroep uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden als door [appellante] gevorderd. Daarbij tekent het hof aan dat ook als ervan wordt uitgegaan dat (de advocaat van) [appellante] na het wijzen van het vonnis aan (de advocaat van) [X] Beheer heeft verzocht erin te bewilligen dat het geld voor de duur van de appelprocedure wordt ‘gestald’ op de derdengeldrekening van de advocaat van [X] Beheer, maar [X] Beheer dit verzoek heeft afgewezen en zich evenmin bereid heeft verklaard schriftelijk te bevestigen dat het geld hangende de appelprocedure niet aan het vermogen van [X] Beheer zal worden onttrokken, dit aan het voorgaande niet kan afdoen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/44f5da54f97aaacc5d973b9068dd3a5eaaa994819658d4c14a50fa72532c77d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 44f5da54f97aaacc5d973b9068dd3a5eaaa994819658d4c14a50fa72532c77d5, en de alinea staat in dat document op bytes 16991 tot 19695.