Citaat | Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2016
Onder 3.3.4 Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2016
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 7 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2135.
In het onderhavige geval heeft de man door middel van een brief van zijn advocaat van 4 december 2012 aan de moeder verzocht hem toestemming te verlenen om de dochter te erkennen (zie hiervoor in 3.1 onder ((ii)). Het inleidend verzoekschrift is op 18 februari 2013 bij de rechtbank ingediend (zie hiervoor in 3.2.1), derhalve binnen de zojuist vermelde termijn van drie maanden. Dat brengt mee dat het onderdeel terecht betoogt dat de toestemming van de moeder aan haar nieuwe partner om de dochter te erkennen nog slechts een voorwaardelijk karakter had. Het hof had daarom moeten beoordelen of aan de man op grond van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming tot erkenning kon worden verleend."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/110c67f839cdc2b740affd0ea3e0f61ea3bdca3d4f5b1bc933e1415a41028e81. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 110c67f839cdc2b740affd0ea3e0f61ea3bdca3d4f5b1bc933e1415a41028e81, en de alinea staat in dat document op bytes 16263 tot 17033.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/110c67f839cdc2b740affd0ea3e0f61ea3bdca3d4f5b1bc933e1415a41028e81 | shasum -a 256