Citaat | Gerechtshof Amsterdam 19 mei 2016

Onder 3.4.5. Gerechtshof Amsterdam 19 mei 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 19 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2174.

Indien met betrekking tot een bepaald terrein werkzaamheden met het oog op het treffen van voorzieningen als zojuist bedoeld worden verricht naast het oprichten van bouwwerken op dat terrein, hangt het af van de omstandigheden van het geval of na voltooiing kan worden geconcludeerd dat een dergelijk terrein als geheel heeft te gelden als bebouwde grond, zoals bedoeld in artikel 11, lid 4, slotzin, van de Wet OB. Omstandigheden die daarvoor in het bijzonder van belang kunnen zijn, zijn de omvang van de op de percelen voorziene bouwwerken en de verhouding tussen het bebouwde en het onbebouwde gedeelte van het terrein. Ook de aard van een bouwwerk kan van belang zijn. Het oprichten van een bouwwerk dat dienstbaar is aan onbebouwde grond, bijvoorbeeld een drainagebuis in of een hekwerk rond een weiland, leidt niet ertoe dat het terrein heeft te gelden als bebouwde grond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2f5f63efb8ab236d832d944c8e41a92507d32ad457dcac3e454924ced891476. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2f5f63efb8ab236d832d944c8e41a92507d32ad457dcac3e454924ced891476, en de alinea staat in dat document op bytes 24430 tot 25323.