Citaat | Gerechtshof Amsterdam 9 juni 2016

Onder 2.1.2. Gerechtshof Amsterdam 9 juni 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 9 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2218.

4.3.3.7. Tussen partijen is mede in geschil of sprake is van parallelliteit tussen de interne lening van [X London Branch] aan belanghebbende en de externe lening van [X London Branch] waarmee die interne lening is gefinancierd. Als bewijs van de aanwezigheid van parallelliteit heeft belangheb-bende verwezen naar de onder 2.2 aangehaalde verklaring van [TTT] . Op grond van deze verklaring is in beginsel aannemelijk te achten dat tegenover de door [X London Branch] aan belangheb-bende verstrekte lening, ter financiering daarvan één of meer leningen van [X London Branch] van derden hebben gestaan. Gelet hierop, heeft het op de weg van de inspecteur gelegen om de externe financiering van de geldlening gemotiveerd te weerspreken, in welk geval belanghebbende – desverlangd en afhankelijk ook van de aard van die betwisting – in de positie zou zijn geweest nader bewijs te leveren. Het Hof constateert dat de inspecteur niet gemotiveerd op de verklaring van [TTT] is ingegaan. Het Hof ziet ambtshalve geen noodzaak voor een nader feitenonderzoek op dit punt en concludeert dat de parallelliteit van de interne en de externe leningen op grond van hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd voldoende aannemelijk is te achten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2d1b369f11fd966188e21b7568a7da299ffcf227e9d74128eb2a53e3535e3a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2d1b369f11fd966188e21b7568a7da299ffcf227e9d74128eb2a53e3535e3a8, en de alinea staat in dat document op bytes 36704 tot 37958.