Citaat | Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2016

Onder 3.5.2 Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2686.

De grieven falen. Het hof stelt allereerst vast dat die grieven uitsluitend betrekking hebben op de opzegging van de overeenkomst voor zover die ziet op de routes in Almere. Het betoog van [appellant] komt er dan verder op neer dat het beroep van PostNL op de in de overeenkomst opgenomen opzegtermijn van één maand, gezien alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Niet duidelijk is of [appellant] daartoe uitsluitend aanvoert dat de opzegtermijn gezien de situatie waarin [appellant] zich bevond te kort is geweest dan wel dat hij daar ook bij wenst te betrekken dat er - in zijn visie - geen redelijke grond bestond om de overeenkomst op te zeggen. Het hof zal daarom beide aspecten beoordelen. Voor wat betreft het laatste aspect - de redelijke grond voor de opzegging - overweegt het hof het volgende. PostNL heeft aangevoerd dat de verlaging van de stoptarieven (telkens) was gebaseerd op een volumegroei van het aantal pakketten. Dat die groei zich ook daadwerkelijk heeft voorgedaan heeft [appellant] niet bestreden. Hij stelt in dit verband alleen dat ook zijn kosten stegen, maar hij heeft nagelaten dat op enigerlei wijze met cijfers in relatie tot zijn omzet te onderbouwen. Het heeft er overigens alle schijn van dat vooral de nieuwe maandagroute (met hogere tarieven maar minder stops) voor hem het breekpunt was. PostNL heeft onbetwist aangevoerd dat aan dit onderdeel van het voorstel een prognoseberekening ten grondslag lag waarbij rekening was gehouden met de omstandigheid dat de ‘slechte’ maandag uit de normale bezorgdienst werd gehaald. [appellant] heeft daartegenover geen op feitelijkheden gebaseerde argumenten aangevoerd. Dat is echter wél van belang omdat immers de stelplicht van het onredelijke karakter van het voorstel van PostNL bij hem ligt. Zo het betoog van [appellant] met betrekking tot het onredelijk karakter van de opzegging al niet hierom dient te falen overweegt het hof nog het volgende. In de overeenkomst is onder 2.2 uitdrukkelijk een opzegtermijn overeengekomen van één maand. In die zin is deze zaak niet vergelijkbaar met die welke voorlag in het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch waarop [appellant] zich beroept. In die zaak was immers niets afgesproken omtrent de wijze van beëindiging van de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen. Het hof leidt uit de stellingen van [appellant] af dat in dit geval niettemin een langere opzegtermijn dan uitdrukkelijk overeengekomen in acht genomen had dienen te worden, meer in het bijzonder een periode van zes maanden, omdat hij ‘met handen en voeten’ aan PostNL was gebonden en daarvan ook financieel geheel afhankelijk was geraakt. Het hof merkt daartoe het volgende op. Allereerst is in de overeenkomst onder 14 opgenomen dat na een beëindiging van de overeenkomst met inachtneming van de in artikel 2 genoemde termijn van één maand geen der partijen aanspraak kan maken op een vergoeding wegens omzetverlies, winstderving, en/of in verband met de beëindiging ontstane kosten. Daarnaast heeft te gelden dat de enkele omstandigheid dat [appellant] op enig moment financieel afhankelijk is geraakt van zijn inkomsten uit zijn werkzaamheden voor PostNL nog niet maakt dat reeds daarom een langere opzegtermijn in acht genomen had moeten worden. Dat zou mogelijk anders zijn als de overeenkomst aanzienlijk langer had geduurd dan thans het geval is geweest of als [appellant] in overleg met PostNL zodanige investeringen zou hebben gedaan dat hij deze nimmer meer zou hebben kunnen terugverdienen. [appellant] heeft er echter kennelijk welbewust voor gekozen om meer routes te gaan rijden dan aanvankelijk was overeengekomen en hij heeft daarmee in toenemende mate het (ondernemers)risico genomen dat hij meer en meer van de inkomsten van PostNL afhankelijk werd. Ten slotte geldt dat de omstandigheid dat PostNL thans in haar vervoersovereenkomsten een langere opzegtermijn hanteert dan voorheen in de overeenkomst(en) met [appellant] , niet met zich brengt dat de gewraakte opzegtermijn in de overeenkomst met [appellant] als onredelijk kan worden betiteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2dd0f70610416477450b062ae003028723bd598f61c2af81768da2cb39160d43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2dd0f70610416477450b062ae003028723bd598f61c2af81768da2cb39160d43, en de alinea staat in dat document op bytes 20048 tot 24203.