Citaat | Gerechtshof Amsterdam 7 december 2016

Alinea 116 Gerechtshof Amsterdam 7 december 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 7 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5176.

Ik heb toen kort bij het gezondheidscentrum geparkeerd en daarna bij de Albert Heijn (Waterwijk). Volgens mij zijn we daar zo’n vijf á tien minuten gebleven. [medeverdachte] ging naar de Albert Heijn. Ik weet niet wat ze daar heeft gekocht. Volgens mij zijn we daarna eerst nog gaan tanken. [medeverdachte] is toen achterin gaan zitten bij [slachtoffer] . [medeverdachte] heeft tot in Muiden achter in de auto gezeten. In Muiden is ze weer voorin komen zitten. Er waren geen andere mensen bij aanwezig. Mij is toen niets bijzonders opgevallen. Op een gegeven moment is [slachtoffer] van de bank afgevallen. Ik hoorde namelijk een bons en een zucht. Ik ben toen gestopt. Toen zag ik dat hij heel raar lag, op de bodem van de auto tussen de bank en mijn stoel in. Ik weet zeker dat dit op de snelweg gebeurde. Toen ik de deur open deed, maakte hij met zijn voeten schoppende bewegingen mijn kant op. Er is mij op dat moment verder niets aan [slachtoffer] opgevallen. Ik heb de deur toen weer dicht gedaan en ben verder gereden over allerlei kleinere wegen, totdat we uiteindelijk zijn gestopt aan de Weespertrekvaart. Dat was, omdat [medeverdachte] zei dat [slachtoffer] moest plassen en omdat mijn auto een kokende motor had. Ik heb de deur opengemaakt voor [slachtoffer] en ik heb hem een hand gegeven om hem overeind te helpen. Hij lag toen nog steeds in die rare positie. De eerste paar stappen die hij zette gingen moeilijk. Na een paar passen liep hij normaal. Ik heb ook toen niets geks aan hem gemerkt. [medeverdachte] stond te roken. Ik ben de Provincialeweg overgestoken om te plassen. Toen ik daar stond, hoorde ik [medeverdachte] om hulp roepen. Ze riep dat [slachtoffer] haar het water in probeerde te trekken. Ik zag [medeverdachte] op haar buik liggen. Ze lag aan de rand van het water. [slachtoffer] stond in het water. Ik zag dat hij het been van [medeverdachte] vast had. Ik ben er naar toe gegaan en heb zijn hand van haar been losgemaakt. Ik heb mijn hand naar hem uitgestoken om hem uit het water te helpen. In plaats daarvan spetterde hij water naar mij, zette hij zich af en zwom weg. Ik heb me toen omgedraaid om [medeverdachte] overeind te helpen. Ik heb daar in de buurt verder geen andere mensen zien lopen. Ik zag dat [slachtoffer] naar de boot zwom. Ik kon die boot goed zien. Ik zag dat er twee mannen op zaten: een van die mannen zat in het midden, de ander voorin. De boot voer aan de andere kant van het water. Ik zag dat er vanaf die boot een stok werd uitgestoken. Op dat moment begon [medeverdachte] te schreeuwen dat we daar weg moesten. Daarom ben ik toch gaan rijden. Ik ben na een meter of tien gestopt. Ik heb ook gezien dat [slachtoffer] zijn schoenen uitdeed en ze in het water liet glijden. Dat was bij het bosje waar hij stond te plassen, voordat hij [medeverdachte] het water in probeerde te trekken. Ik heb zijn schoenen daarna niet meer gezien. Bij het tankstation heb ik de ANWB gebeld. [medeverdachte] heeft een andere lift geregeld. Ik ben door de ANWB thuis gebracht. Ik heb na 13 juni 2011 een ontmoeting gehad met [medeverdachte] en haar zoons. Zij hebben me toen gezegd dat ik moest zeggen dat we [slachtoffer] bij het hotel hadden afgezet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/673fe6ca87db2fde146e31f6d7063e9f7847f87ebc4284293ec67d7d3c46cd6a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 673fe6ca87db2fde146e31f6d7063e9f7847f87ebc4284293ec67d7d3c46cd6a, en de alinea staat in dat document op bytes 57088 tot 60298.