Citaat | Gerechtshof Amsterdam 20 december 2016

Onder 3.3 Gerechtshof Amsterdam 20 december 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5518.

Grief 1 uit het verzoekschrift in hoger beroep heeft betrekking op de veroordeling tot betaling van het salaris over december 2015 en januari 2016, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] in december 2015 en januari 2016 (bijna) niet heeft gewerkt. In het verzoekschrift in hoger beroep heeft [appellant] gesteld dat [geïntimeerde] van 2 december 2015 tot en met 21 december 2015 niet heeft gewerkt en op 22 december 2015 twee uur te laat op zijn werk kwam. Op 23 december en 24 december 2015 zou [appellant] ook niet hebben gewerkt. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] nader aangevoerd dat [geïntimeerde] op 2, 4, 11, 14, 16 en 17 december 2015 heeft gewerkt. Nu [geïntimeerde] zich daartegen niet heeft verweerd, gaat het hof uit van de juistheid van de laatste door [appellant] genoemde data, zodat als vaststaand wordt aangenomen dat [geïntimeerde] in de maand december tot aan de 25e alleen op de hiervoor genoemde zes dagen heeft gewerkt. Het loon over deze zes dagen is toewijsbaar. In het verzoekschrift in hoger beroep heeft [appellant] ter toelichting op zijn eerste grief gesteld: “Op 23 en 24 december heeft [geïntimeerde] ook niet gewerkt. Van 14 t/m 31 januari 2016 heeft [geïntimeerde] ook niet meer gewerkt bij [appellant] .” Anders dan mr. Slager ter zitting heeft opgemerkt, moet uit deze passage redelijkerwijs worden afgeleid dat [appellant] niet opkomt tegen de veroordeling tot betaling van salaris over de periode 25 december 2015 tot 14 januari 2015. Voor zover mr. Slager heeft bedoeld de veroordeling in zoverre alsnog te bestrijden, geldt ook hier dat daarvoor in dit stadium van het geding geen plaats meer is. Verder heeft [appellant] gesteld dat [geïntimeerde] in de periode van 14 januari tot en met 31 januari 2016 niet heeft gewerkt. Bij brief van 14 januari 2016 heeft [geïntimeerde] zich evenwel uitdrukkelijk beschikbaar gesteld om werkzaamheden te verrichten. Dat hij niet in de Shurgard Box wilde werken doet daaraan niet af. [appellant] heeft ter zitting in beroep zelf verklaard dat [geïntimeerde] op verschillende plekken zijn werkzaamheden verrichtte, terwijl hij onvoldoende heeft betwist dat deze Shurgard Box (vol met fietsen, geen wc, geen stoel) geen behoorlijke werkplek voor [geïntimeerde] was. Aldus heeft [geïntimeerde] zich voldoende beschikbaar gesteld de bedongen werkzaamheden te verrichten en komt het niet gebruikmaken van dat aanbod voor rekening van [appellant] . [appellant] had [geïntimeerde] immers kunnen vragen op een van de andere beschikbare werkplekken zijn werkzaamheden uit te voeren. [geïntimeerde] heeft daarom ook recht op loon over de periode van 14 januari tot en met 31 januari 2016. De conclusie luidt dat [geïntimeerde] recht op loon heeft over 25 december 2015 tot en met 31 januari 2016 alsmede over de hiervoor genoemde zes dagen in december 2015. De grief slaagt dus gedeeltelijk en faalt voor het overige.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4ebc9ddcb3f24c8362f0210cc00d525f37a655b8358668441010bc41a99a57ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4ebc9ddcb3f24c8362f0210cc00d525f37a655b8358668441010bc41a99a57ff, en de alinea staat in dat document op bytes 13301 tot 16310.