Citaat | Gerechtshof Amsterdam 23 februari 2016
Onder 3.3. Gerechtshof Amsterdam 23 februari 2016
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:657.
CBR heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat [appellante] ongeschikt is gebleken voor de bedongen arbeid als examinator van CBR, dat zij [appellante] hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en dat zij [appellante] in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij de hiervoor onder 2.2 tot met 2.7 vermelde - door [appellante] niet (voldoende) weersproken - feiten aangevoerd. Uit deze feiten blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat [appellante] ongeschikt is voor haar werkzaamheden als rijexaminator en dat CBR voldoende heeft gedaan om haar in staat te stellen op het gewenste niveau te komen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de stukken niet alleen blijkt dat [appellante] in ieder geval vanaf 2011 een (te) laag slagingspercentage had en dat zij daarop vanaf 2011 regelmatig door haar leidinggevende is gewezen, maar ook dat vanaf het jaargesprek van 24 oktober 2013 in ieder volgend voortgangs- of jaargesprek expliciet aan de orde is gekomen dat haar communicatieve vaardigheden onvoldoende waren, hetgeen ook heeft geleid tot klachten van rijscholen. Dat het slagingspercentage van [appellante] , zoals [appellante] heeft aangevoerd, in die jaren soms (net) wel binnen de acceptabele marge van tien procent bleef, doet hieraan niet af. Het lage slagingspercentage is geen zelfstandige reden voor het aannemen van disfunctioneren, maar is wel een signaal dat het ergens aan schort, in het geval van [appellante] met name aan haar manier van communiceren. Communicatie is ook in het gehele heropleidingstraject, waartoe is besloten nadat [appellante] al een paar jaar werd begeleid door een coach, een punt van aandacht en zorg bij de verschillende docenten geweest. Anders dan [appellante] betoogt, is het hof van oordeel dat [appellante] voldoende intensief is gecoacht: eerst door haar coach [A] en, toen dat niet afdoende bleek, door verschillende docenten - onder wie een door haar uitgekozen docent ( [A] ) - tijdens een op maat gemaakte heropleiding van ruim drie maanden. De omstandigheid dat [appellante] in de opleidingsperiode maar voor zeventig procent werkte en met vakantie is geweest en nog een week ziek is geweest, maakt dat niet anders. Het hof volgt [appellante] evenmin in haar betoog dat het traject zonder meetpunten en doelen is gestart. Voor aanvang van het traject heeft [C] een aantal examens met [appellante] meegereden om haar niveau vast te stellen en heeft haar leidinggevende [B] in een mail aan haar van 20 maart 2015 (productie 15 bij het inleidende verzoekschrift) duidelijk beschreven waar de opleiding op zag, hoe de werkvormen werden bepaald, dat het geheel zou worden afgesloten met een eindmeting en dat er wekelijks een evaluatie zou plaatsvinden. Tijdens het traject is er geëvalueerd, is er een tussenmeting verricht en is de ETEV afgenomen, die ten gevolge van een latere start (op verzoek van [appellante] ) niet op vijf maar op vier examens is gebaseerd. Op basis van dat alles, en dus niet alleen van de uitslag van de ETEV, is CBR tot - zo blijkt uit de stukken - de terechte conclusie gekomen dat zij er (tevergeefs) alles aan had gedaan om [appellante] op het gewenste niveau te krijgen. Er is derhalve sprake van ongeschiktheid van [appellante] tot het verrichten van de bedongen arbeid. Er is voldaan aan het in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW gestelde vereiste dat CBR [appellante] hiervan tijdig in kennis zou stellen en haar in voldoende mate in de gelegenheid zou stellen haar functioneren te verbeteren. Er bestaat geen grond om aan te nemen dat de ongeschiktheid het gevolg is van onvoldoende zorg van CBR voor scholing van [appellante] of voor de arbeidsomstandigheden van [appellante] . Dat deze conclusie volgens [appellante] binnen het CBR niet door iedereen wordt gedeeld, doet, wat daarvan verder ook zij, niet ter zake. Of de ongeschiktheid van [appellante] het gevolg is van haar ziekte, zoals bepaald in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d, tweede zinsdeel BW wordt hierna besproken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8de7b998e3da76c0748d85812af8a50d27ea34248aeac8a9787f44d193214d97. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8de7b998e3da76c0748d85812af8a50d27ea34248aeac8a9787f44d193214d97, en de alinea staat in dat document op bytes 17904 tot 22013.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8de7b998e3da76c0748d85812af8a50d27ea34248aeac8a9787f44d193214d97 | shasum -a 256