Citaat | Gerechtshof Amsterdam 10 februari 2016

Onder 5.19. Gerechtshof Amsterdam 10 februari 2016

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 10 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:676.

De rechtbank is van oordeel dat de utb over de maand maart 2010 tijdig is opgelegd. In dit verband dient te worden vooropgesteld dat een bepaling van nationaal recht, zoals de door eiseres aangehaalde bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, niet leidend kan zijn bij de interpretatie of toepassing van een bepaling van direct werkend Unierecht, zoals artikel 221 van het CDW. Ingevolge artikel 221, derde lid, van het CDW moet het bedrag aan rechten aan de schuldenaar worden medegedeeld binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Ingevolge artikel 7:6, eerste lid, van de Algemene Douanewet geschiedt de mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar door het toezenden van een utb, waarbij de dagtekening van de utb geldt als datum van de vaststelling van de utb. Artikel 7:6 van de Algemene Douanewet gaat dus uit van de verzendtheorie. Aan de stelling van eiseres ligt het onjuiste uitgangspunt ten grondslag dat de ontvangsttheorie van toepassing is. Nu de utb is gedagtekend 28 februari 2013 en door eiseres niet is gesteld dat de toezending van de utb na de datum van dagtekening heeft plaatsgevonden, is het bedrag aan rechten over het tijdvak maart 2010 medegedeeld binnen drie jaar nadat de douaneschuld over dat tijdvak is ontstaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/96fa9398333c1b336d842cb828b1803e6cd5f084b51707def6478597d70c5b77. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 96fa9398333c1b336d842cb828b1803e6cd5f084b51707def6478597d70c5b77, en de alinea staat in dat document op bytes 45072 tot 46347.