Citaat | Gerechtshof Amsterdam 20 april 2017
Onder 3.2.4. Gerechtshof Amsterdam 20 april 2017
Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 20 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1524.
Voor het geval het verwijzingshof toekomt aan de beoordeling of belanghebbende het in artikel 36, lid 4, eerste volzin, van de Wet bedoelde vermoeden heeft weerlegd, heeft voorts te gelden dat hetgeen in de voorgaande alinea en in 3.2.3 is overwogen omtrent de in aanmerking te nemen omstandigheden en omtrent de toerekening van het handelen of nalaten van derden evenzeer van betekenis is voor beantwoording van de vraag of de niet-betaling van de verschuldigde belasting is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f75d3d4395df19fa4804042a0d87222f445b788fee28efba9232abae1d47891. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f75d3d4395df19fa4804042a0d87222f445b788fee28efba9232abae1d47891, en de alinea staat in dat document op bytes 86066 tot 86622.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4f75d3d4395df19fa4804042a0d87222f445b788fee28efba9232abae1d47891 | shasum -a 256