Citaat | Gerechtshof Amsterdam 3 januari 2017

Onder 5.7. Gerechtshof Amsterdam 3 januari 2017

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 3 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:29.

De in artikel 11, derde lid, en artikel 16, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde termijnen van onderscheidenlijk drie, vijf en twaalf jaren voor het vervallen van de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag of van een navorderingsaanslag gaan in: 1°. voor het recht van successie of het recht van overgang wegens een verkrijging krachtens erfrecht, na de dag van de inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand hier te lande of na de dag waarop akten of stukken, waaruit het overlijden blijkt, ter kennis van de inspecteur zijn gekomen. In de gevallen, bij artikel 45, tweede en derde lid, bedoeld, beginnen de termijnen niet eerder te lopen dan van de dag waarop de termijn van aangifte ingaat, en worden zij verlengd met de tijd dat de termijn van aangifte niet loopt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72aaed411fd4df69a70c2e552532f7cfa7377ff36766ee40bd2d12d7f9e15bb7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72aaed411fd4df69a70c2e552532f7cfa7377ff36766ee40bd2d12d7f9e15bb7, en de alinea staat in dat document op bytes 31568 tot 32433.