Citaat | Gerechtshof Amsterdam 14 november 2017

Onder 3.6.6. Gerechtshof Amsterdam 14 november 2017

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 14 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4683.

De grondslag onder (ii) berust op de veronderstelling dat alle schuldeisers in het faillissement van Indover op grond van de uitlatingen en gedragingen van BI gerechtvaardigd erop hebben vertrouwd dat BI steeds ervoor zou zorgen dat Indover aan haar verplichtingen zou kunnen blijven voldoen, zodat BI daartoe jegens ieder van hen gehouden was en het in september/oktober 2008 niet nakomen van die verplichting derhalve jegens de gezamenlijk schuldeisers in het faillissement van Indover onrechtmatig is. De curatoren hebben echter gesteld noch toegelicht wie die schuldeisers zijn, wanneer zij schuldeiser van Indover zijn geworden of op welke concrete mededelingen en gedragingen van BI zij zijn afgegaan en/of hebben vertrouwd. Dit brengt mee dat niet kan worden uitgesloten dat de vorderingen van een deel van die schuldeisers al vóór 16 februari 1998 (de datum van het persbericht) zijn ontstaan, terwijl ook overigens, mede gelet op de uitdrukkelijke waarschuwingen in de Fitch rapporten dat geen sprake is van een door BI verstrekte garantie, zonder nader toelichting die ontbreekt, tegenover de betwisting door BI niet als vaststaand kan worden aangenomen dat alle schuldeisers in het faillissement van Indover daadwerkelijk op grond van de door de curatoren gestelde uitlatingen en gedragingen van BI, gerechtvaardigd erop hebben vertrouwd dat BI steeds ervoor zou zorgen dat Indover aan haar verplichtingen zou kunnen blijven voldoen. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de curatoren met hun vordering onder (ii) opkomen voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van Indover en niet slechts ten behoeve van de groep van schuldeisers die wél gerechtvaardigd erop hebben vertrouwd dat BI ervoor zou zorgen dat Indover aan haar verplichtingen zou kunnen blijven voldoen. Voor zover de curatoren met de onder (iii) genoemde grondslag betogen dat alle bestaande schuldeisers van Indover door het uitblijven van eerder ingrijpen door de toezichthouders in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld, omdat Indover bij een eerder ingrijpen voor haar schuldeisers meer verhaal zou hebben geboden, komen zij ook in zoverre slechts op ter zake van een onrechtmatige daad die gepleegd is ten opzichte van een bepaalde groep van schuldeisers van de gefailleerde, namelijk jegens hen die op het moment waarop dat eerder ingrijpen had moeten plaatsvinden al schuldeiser van Indover waren. Daarmee valt de subsidiaire vordering voor zover gebaseerd op het onder (ii) en (iii) gestelde onrechtmatig handelen van BI buiten de grenzen van de aan de faillissementscurator op grond van artikel 68 lid 1 Fw toekomende bevoegdheid om ten behoeve van de gezamenlijke faillissementsschuldeisers een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen een derde die bij de benadeling van hun verhaalsmogelijkheden betrokken was. De curatoren zijn in zoverre in hun subsidiaire vordering niet-ontvankelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4b453090e678ca15737b8dca7859dd7089b6d4e12f04d77bef83ea3d348bb0a3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4b453090e678ca15737b8dca7859dd7089b6d4e12f04d77bef83ea3d348bb0a3, en de alinea staat in dat document op bytes 143116 tot 146070.