Citaat | Gerechtshof Amsterdam 4 december 2017

Onder 6.2.3. Gerechtshof Amsterdam 4 december 2017

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 4 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5021.

Ad b. Küpper & Bajanowski stellen in hun rapport van 8 augustus 2017 dat de aanwezigheid van succinylmonocholine in het lichaam van een pas overleden persoon in beginsel bewijst dat de overleden persoon is blootgesteld aan succinylcholine. Volgens Küpper & Bajanowski kan bij sterk postmortaal (door het rottingsproces) veranderde lichamen en bij lang opgeslagen bloed/en weefselmonsters succinylmonocholine kunstmatig ontstaan door de werking van bacteriën. In het onderzoek van Küpper et al. uit 2011 werd succinylmonocholine in nier- en leverweefsel aangetroffen dat twee jaar was opgeslagen en in sterk postmortaal veranderd materiaal van overleden personen die niet waren blootgesteld aan succinylcholine. Er werd in de studie geen succinylmonocholine in glasvocht aangetoond of in lichaamsweefsel van personen waarbij binnen twee dagen obductie werd verricht, aldus Van der Hulst in zijn rapport van 11 maart 2014.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/40dbd3d63b77e289abfe7b574ab51a0c38096fa42a5fd205204af35b9e1bfb94. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 40dbd3d63b77e289abfe7b574ab51a0c38096fa42a5fd205204af35b9e1bfb94, en de alinea staat in dat document op bytes 58289 tot 59235.