Citaat | Gerechtshof Amsterdam 4 december 2017

Onder 7.1.3. Gerechtshof Amsterdam 4 december 2017

Een alinea uit Gerechtshof Amsterdam 4 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5021.

[slachtoffer 2] sprak de Nederlandse taal niet. De verdachte hielp hem met praktische zaken en zijn financiën. De verdachte had daarom ook toegang tot het ING-account van [slachtoffer 2]. Op 6 juni 2013 heeft [slachtoffer 2] in aanwezigheid van de verdachte zijn bedrijf APR Vastgoed ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De inschrijving in de Kamer van Koophandel heeft vragen opgeroepen gelet op het feit dat [slachtoffer 2] de Nederlandse taal niet machtig was en bovendien geen enkele achtergrond had in vastgoed. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep hierover verklaard dat hij [slachtoffer 2] heeft geholpen op diens verzoek. [slachtoffer 2] wilde een inschrijving bij de Kamer van Koophandel in verband met een verzoek van een vriend op de Dominicaanse Republiek die een werkgeversverklaring nodig had in verband met de oliehandel waarin die vriend als ook [slachtoffer 2] participeerden. Voor deze uitleg biedt het dossier echter geen enkele steun. Bovendien wekt het bevreemding dat eerst bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep de verdachte deze verklaring geeft. Het hof hecht geen waarde aan de door de verdachte afgelegde verklaring met betrekking tot de reden van inschrijving in de Kamer van Koophandel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/40dbd3d63b77e289abfe7b574ab51a0c38096fa42a5fd205204af35b9e1bfb94. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 40dbd3d63b77e289abfe7b574ab51a0c38096fa42a5fd205204af35b9e1bfb94, en de alinea staat in dat document op bytes 91142 tot 92430.